Education
About our education
Why do we actually preserve our history?
Why do we actually preserve our history?
In fact, every event is an event from the past. By the time you finish reading this sentence, it’s already over. It is still fresh in your memory now, but in a week, a month or a year, you will most likely have forgotten it. The further back in the past an event lies, the more you need to use aids to remember it. If you want to “retrieve” an event from the past, you have to do research, like a detective, you have to look for clues, small (or large) things that people have left behind from the past. From there, you can “reconstruct” the event, just as a detective solves his “case.” Important traces from the past are archives, but stories from your grandparents, shards from the ground, or customs or songs from the past can also provide many clues.
At the National Archives, we keep the archives of the government, of important people or institutions. All these “clues” can help you answer the questions you ask about the past.
Archives are special forms of information, they are formed in the course of a process. We call it “process-related” information. So it’s a bit different from the information in a book or in a library. That is “edited” information, information that incorporates an interpretation or thought from an author. The information from an archive is different: it is the primary source, without interpretation. We keep it to bring an event from the past back to you, exactly with the sources from that time, without “editing” or interpretation by anyone else.
We have selected some topics for you below regarding Curaçaoan history. Also, take a look at our exhibitions on this site or the topics from the Canon of Curaçao. We hope that you will be intrigued to conduct your own research using the primary sources from that time itself. Feel free to drop by; consultation is free, and you will always be helped with your questions.
Magic Weddingcake
When Storyana opens the door to “the Wedding Cake” – the National Archives building, she enters a Time Machine and swirls into the history of Curaçao. Indians, Spaniards, the Dutch and enslaved Africans pass her by. Listen to and watch the fantastic story of Loekie Morales “the Magic Weddingcake”, told by Marianne Tefft.
Published with permission of the Beyond Kultura Events Foundation.
Curacao History Time line
Explore our Timeline of Curacao History on this link.
Guera na Korsou
Bezoek de website Guera na Korsou.
Of kijk ook even naar de Canon van Curacao over het onderwerp De Tweede Wereldoorlog
Koningin Julianabrug
De discussies voor een vaste oeververbinding stammen al van de jaren dertig. Het toegenomen scheepvaartverkeer, door de komst van de olieraffinaderij, alsmede het toegenomen autoverkeer zorgde voor lange files en wachttijden op de Handelskade. Als de Emmabrug open stond voor de scheepvaart, kon het wachten in de auto voor een “foute” brug, zoals het in de volksmond werd genoemd, oplopen tot wel 45 minuten. Diverse plannen voor een vaste brug over de Annabaai of zelfs een tunnel onder de Annabaai, nabij het Water – en Riffort, werden opgesteld. In de gallery hieronder ziet u enkele ontwerpen die tussen 1946 en 1961 werden gemaakt. Uiteindelijk werd gekozen voor het ontwerp van een hoge stalen brug uit 1961. In 1962 werd begonnen met het grondwerk. In 1964 werden de 50 stalen secties in Nederland gebouwd. Deze werden per schip naar Curaçao vervoerd. Nadat de bruglandhoofden in 1966 waren afgebouwd, begon het werk om de 25 secties aan de Punda-zijde te monteren. Bij het aanbrengen van sectie 23, brak op 6 november 1967 de verankerde ophanging van deze brughelft en kwam 1600 ton staal met donderend geraas naar beneden vallen, gedeeltelijk in de Annabaai. De brug was ingestort. 15 bruggenbouwers waren bij deze ramp omgekomen.
Nadat een onderzoekscommisie had gerapporteerd over de oorzaak van de ramp werd in 1969 aangevangen met de hernieuwde montage. Nu begon men aan de Otrobanda-zijde te bouwen. In 1972 was de brug afgebouwd. Het stelsel van aanvoerwegen werd daarna afgerond. De brug werd op 2 maart 1974 opengesteld voor autoverkeer. De officiële opening vond plaats op Koninginnedag, 30 april 1974.
Meer informatie:
Nationaal Archief Curaçao. Fotocollecties: DOW, Fischer, Ter Hart, Scriwanek.
Queen Juliana bridge
Discussions for a fixed connection between Punda and Otrobanda started in the thirties. As a result of the booming oil refinery, increased shipping and increased traffic caused serious traffic jams on “de Handelskade”. Waiting time in the traffic jam could run up to 45 minutes. Various plans for a permanent bridge over the Anna Bay or even a tunnel under the Anna Bay, were made up between 1946-1961. The picture gallery shows some designs that were made. The 1961-design was finally approved. The groundbreaking began in 1962. In 1964, the 50 steel sections were built in the Netherlands and were shipped to Curaçao. After construction of the concrete abutments, the mounting of the steel sections began in 1966. Construction started with the 25 sections on the Punda side. When applying section 23, the construction collapsed on November 6, 1967. 1600 tons of steel came thundering down, partially in the Anna Bay. The bridge had collapsed. 15 bridge builders had perished in this disaster.
After an inquiry into the causes of collapse, the rebuilding started in 1969 and finished in 1972. Roads and additional works were completed two years later. The bridge was opened to traffic on March 2, 1974. The official opening took place on Queen’s Day, April 30, 1974.
More info at:
National Archives Curaçao. Photos: collection DOW, Fischer, Ter Hart, Scriwanek.
Tula
Tula was de aanvoerder van de grote slavenopstand van 1795 op Curaçao. Wat weten we over Tula?
Tula droeg de bijnaam van “Rigaud”, genoemd naar de Haïtiaanse generaal Benoit Joseph Rigaud, één van de helden van de Haïtiaanse revolutie. Het is niet bekend waar Tula vandaan kwam, maar hij was goed op de hoogte van de situatie in Haïti, waar een slavenopstand onder leiding van Toussaint het koloniale regime had overgenomen. Hij was op de hoogte van de Franse Revolutie en de revolutionaire idealen: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Hij wist dat het revolutionaire regime in Frankrijk een groot deel van Europa had bezet en dat dit regime de slavernij in de Franse koloniën wilde afschaffen. Onder de opstandelingen werd een brief van generaal Rigaud aangehaald, waarbij vrijheid aan alle slaven werd beloofd, die onder Frans gezag vielen. Nu Nederland onder Frans gezag (1795-1801) was komen te vallen zou de slavernij ook hier spoedig afgeschaft worden, zo was de overtuiging van Tula.
Tula was slaaf van plantage Knip, eigendom van Casper Lodewijk van Uijtrecht. Van zijn persoonlijk leven is weinig bekend of bewaard gebleven in documenten. Dominee Bosch die in 1816 op Curaçao aankwam, schreef dat hij mensen had gesproken die Tula in leven hadden gekend. Zij herinnerden hem als een man van sterk postuur en welbespraakt.
Pater Jacobus Schinck, die in 1795 door het koloniaal bestuur als bemiddelaar naar de opstandige slaven werd gestuurd, is de enige die met Tula gesproken heeft, waarvan optekening in de overheidsarchieven is terug te vinden. Zijn relaas start op 19 augustus als hij om half negen s-avonds kapitein Tula krijgt te spreken bij Porto Mari:
“Wij zijn al teveel mishandeld, wij zoeken niemand kwaad te doen, maar zoeken onze vrijheid, de Franse negers hebben hun vrijheid gekregen, Holland is ingenomen door de Fransen, vervolgens moeten wij ook hier vrij zijn”
Dit zijn Tula’s woorden die ons bekend zijn, via Pater Schinck. Hij vervolgt:
“Heer Pater, komen alle mensen niet voort uit een vader Adam en Eva? Heb ik kwalijk gedaan dat ik 22 van mijn medebroeders verlost heb uit hun boeien, waarin zij onrechtvaardig geworpen waren? De Franse vrijheid heeft ons gediend tot torment. Als iemand van ons gestraft werd, werd hem telkens tegengeworpen ‘zoek jij ook je vrijheid?’ Eens werd ik vastgebonden. Ik riep zonder ophouden genade voor een arme slaaf. Toen ik uiteindelijk losgelaten werd liep het bloed uit mijn mond. Ik viel op de knieën en riep tot God, Oh God almachtig is het Uw wil dat wij zo mishandeld worden? Ah Pater, zelf een dier wordt beter behandeld dan wij. Als een beest een poot gebroken heeft wordt het verzorgd.” (Paula, Bronnen, Slavenopstand, 269)
Terwijl Pater Schinck de voorstellen van het gouvernement over bracht op Tula, hoorde de heer van der Grijp – een door de rebellen gevangen genomen ruiter – de rebellen met elkaar in het Frans praten “Le curé vient ici pour nous cajoler” (“De priester komt hier om ons te vleien”). Ook hoorde Schinck dat er ‘s nachts in de kamer naast hem zachtjes Franse revolutionaire liedjes werden gezongen.
Nadat de opstand was neergeslagen werd Tula ter dood veroordeeld. De executie van het vonnis vond plaats op 3 oktober 1795 bij het Rif. Hier staat nu het monument dat hem de eer geeft als strijder voor vrijheid. (zie foto in gallery). De afgebeelde brief is het bericht van C.L. van Uijtrecht (plantage Knip) aan de Gouverneur, waarin hij vermeld dat “mijn slaven zijn des morgen gekomen en weigeren int algemeenen diensten te doen. Wat verder haare intentien is weet ik niet. Met haast en waare achtinge”, 17 augustus 1795. OAC- Nationaal Archief.
Meer informatie:
Nationaal Archief Curaçao of kijk ook even op de Canon van Curacao
Tula was the captain of the great slave revolt of 1795 in Curaçao. What do we know about Tula?
Tula bore the nickname of “Rigaud”, named after the Haitian General Benoit Joseph Rigaud, one of the heroes of the Haitian revolution. It is not known where Tula came from, but he was well aware of the situation in Haiti, where a slave revolt led by Toussaint had taken over the Colonial regime. He was aware of the French Revolution and the revolutionary ideals: liberty, equality and fraternity. He knew that the French revolutionary regime had occupied a large part of Europe and that this regime wanted to abolish slavery in the French colonies. Among the insurgents a letter from General Rigaud was cited, in which freedom was promised to all slaves, which came under French rule. Now that the Netherlands was placed under French rule (1795-1801) slavery would soon be abolished here, so was Tula’s conviction.
Tula was a slave worker on plantation “Knip”, owned by Casper Lodewijk van Uijtrecht. Little is known of his personal life, neither preserved in documents. Reverend Bosch, who arrived in 1816 on Curaçao, wrote that he had spoken to people that had known Tula in life. They remembered him as a man of strong stature and articulate.
Father Jacobus Schinck, who was sent during the revolt in 1795 by the colonial government as a mediator to the rebellious slaves, is the only one who has spoken with Tula, whose recordings are preserved in the government archives. His story starts on August 19 when he spoke with Captain Tula at Plantation house “Porto Mari” at half past eight in the evening.
“We have been abused too much, we do not seek to harm anyone, we are just seeking our freedom. French Negroes gained their freedom, Holland was occupied by the French, then we must be free here “
These are Tula’s words, recorded by reverend Schinck. He continues:
“Sir, Father, do not all the people stem from a common father Adam and Eve? Did I do wrong by releasing 22 of my brothers from their confinement, which they were unjustly thrown into?. French freedom has served us as torment. When one of us was punished, they constantly invoked against us, “Do you seek your freedom as well?” Once I was tied. I cried incessantly ‘mercy for a poor slave’. When I was finally released, blood ran out of my mouth. I fell on my knees and cried out ‘Oh God Almighty is it your will that we are so mistreated’? Ah, Father, even an animal is treated better than us. If an animal has a broken leg, it is taken care of. ” (Paula, Bronnen, Slavenopstand, 269)
As Father Schinck conveyed the proposals of the government to Tula, Mr. van der Grijp – a horseman captured by the rebels -, heard the rebels talk in French “Le curé vient ici pour nous cajoler” (“The priest comes here to flatter us”). Schinck also heard the rebellions sang French revolutionary songs at night, softly, in the next-door room.
After the revolt was beaten down Tula was sentenced to death. The execution took place on October 3, 1795 at the Reef. Here stands the monument that gives him the honor as a warrior for freedom (see photo in gallery). The illustrated letter is the message from C. L. van Uijtrecht (plantation Knip) to the government, in which he stated that his slaves, “refuse to do service (..) what their intentions are, I do not know,” August, 17, 1795 OAC National Archives Curaçao.
More info:
National Archives Curacao or take a look at the Canon of Curacao
Foto’s
100 jaar MCB
100 jaar Maduro’s Bank 1916-2016
In 1916 werd de Maduro’s Bank opgericht. Het was een lang gekoesterde wens van de handelsfirma S.E.L. Maduro & Sons om een circulatiebank te mogen oprichten. De firma verleende al bankactiviteiten, zoals het verstrekken van leningen en het uitgeven van waardepapieren. In 1901 en nogmaals in 1906 hadden de Maduro’s een verzoek ingediend om een officiële bank op te richten. Dat verzoek werd toen afgewezen. De Nederlandse regering zag liever een Nederlandse kredietverstrekker aan het werk in de kolonie.
Dit alles veranderde in 1916. De Bataafsche Petroleum Maatschappij was al bezig met de voorbereidingen om een raffinaderij te bouwen op Curaçao en op 20 oktober van dat jaar werd de NV Curaçaosche Petroleum Maatschappij, de C.P.M. opgericht.
Met de komst van het oliebedrijf was uitbreiding en modernisering van het bankwezen een noodzaak geworden. Op 22 september 1916 dienden de Maduro’s opnieuw een rekest in met het verzoek een bank te mogen oprichten met emissierecht. Al op 30 september meldde de Amigoe de aanstaande oprichting van de nieuwe bank van de Maduro’s. De gouverneur keurde nu de statuten van de nieuwe Maduro’s Bank meteen goed en liet de instelling haar werkzaamheden met ingang van 1 januari 1917 aanvangen. Ze konden in de bank dezelfde zaken voortzetten die zij al meer dan dertig jaar in hun handelshuis deden. De Maduro’s Bank werd de eerste commerciële bank van de kolonie Curaçao.
Het kapitaal van f 1 miljoen werd voor driekwart gestort door leden van de familie Maduro, firmanten van de firma S.E.L. Maduro & Sons. De overige f. 250.000 werd ingebracht door J.J. Alvares Correa, van het bedrijf Correa Hermanos & Cia. Daarmee werd hij de grootste individuele aandeelhouder. Jojo Correa werd ook met de dagelijkse leiding van de nieuwe bank belast.
Vanaf haar oprichting was de Maduro’s Bank betrokken bij de verschillende ontwikkelingen in de economie van Curaçao. De bank zou gedurende haar bestaan leningen verschaffen aan entrepreneurs die bereid waren het risico te nemen om bedrijven op te richten die voor werkgelegenheid en welvaart op Curaçao konden zorgen.
De enorme groei die de Curaçaose economie doormaakte door de komst van het oliebedrijf was belangrijk voor de groei van de Maduro’s Bank. Ze hadden onderhandeld dat een percentage van alle transacties van het oliebedrijf via hun bank zou verlopen. Werkgelegenheid bij de Shell bereikte in 1929 11.000 arbeidsplaatsen op een totale bevolking van 44.000 en de betaalrol van de raffinaderij steeg tot f. 24 miljoen, ruim vijf keer zoveel als de totale overheidsinkomsten van Curaçao. Dit alles had een diepgaand effect op de economie van het eiland. De economische opleving van de jaren twintig had ertoe geleid dat op 1 juli 1927 nog een commerciële bank, de Curiel’s Bank, haar deuren voor het publiek had geopend. De firma Morris E. Curiel & Sons verrichtte reeds jarenlang financiële activiteiten, in het bijzonder wisseltransacties. Het was dus maar een kleine stap deze onder te brengen in een afzonderlijke instelling.
Het kapitaal van de bank bedroeg f. 500.000. Van het oude handelshuis nam zij voor f. 1,7 miljoen aan deposito’s over. Het ingelegde bedrag was eind 1929 al tot f. 3,7 miljoen gestegen.
Tussen 1931 en 1935 was er als gevolg van de economische wereldcrisis, een recessie in alle sectoren van onze economie: de olieraffinaderij ontsloeg 50% van zijn werknemers, invoer daalde tot 60% en de inkomsten van de overheid van Curaçao verminderde met 20%. In Punda veranderden vele zaken van eigenaars, anderen sloten hun deuren of gingen bankroet. Leningen konden in de crisisjaren moeilijker worden opgevorderd. Om in deze moeilijke tijd financieel sterker te staan besloten de Maduro’s Bank en de Curiel’s Bank een fusie aan te gaan. Per 1 januari 1932 ontstond de nieuwe bank, de Maduro & Curiel’s Bank.
In de Tweede Wereldoorlog werd de Curaçaose gulden losgekoppeld van de Nederlandse gulden. De Curaçaose gulden kreeg een onafhankelijke status. De Curaçaose Muntregeling van 1942 werd op 3 september 1943 van kracht verklaard. Vanaf die dag kon officieel worden gesproken van het Curaçaose muntstelsel.
In de oorlogsjaren liepen de kasgelden bij de Maduro & Curiel’s Bank op van f. 2.6 miljoen in 1940 tot f. 22,4 miljoen in 1944 omdat er toen geen of weinig aantrekkelijke investeringsmogelijkheden bestonden. Bij gebrek aan beleggingsmogelijkheden verlaagde de bank de rente voor haar cliënten en deponeerde uiteindelijk meer dan 20 miljoen renteloos in de kluis van de Curaçaosche Bank.
In de oorlogsjaren nam Venezuela een wet aan die voor de Curaçaose raffinaderij nadelig was. De Curaçaose raffinaderij mocht alleen nog maar Venezolaanse olie verwerken uit de bestaande concessies. Olie uit nieuwe wingebieden mocht niet meer op Curaçao verwerkt worden. Shell was daardoor gedwongen een nieuwe raffinaderij op Paraguaná in Venezuela te bouwen: “El Cardon”. De raffinaderij op Curaçao kon alleen nog maar gemoderniseerd worden, maar kon niet worden uitgebreid.
De raffinaderij begon met reorganiseren en automatiseren. Curaçao begon een beleid toe te passen van “diversifiëring” van de economie. Om minder afhankelijk te zijn van alleen de raffinaderij werd ingezet op hotelbouw en nieuwe industrieën. De MCB-bank heeft hierin actief geparticipeerd met het verstrekken van leningen en startkapitaal voor ondernemers. Voorbeelden zijn: het Curaçao Intercontinental Hotel aan de ingang van de haven in Punda, het Curaçao Hilton en Flamboyant Beach Hotel, Country Inn, San Marco, Holiday Inn en Arthur Former te Parasasa, de Antilliaanse Verffabriek, de Amstel brouwerij, de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij, de Dok Maatschappij, de komst van Texas Instruments.
De werkgelegenheid bij de raffinaderij bereikte in 1952 nog een hoogtepunt van 12.600 man. De gevolgen van de reorganisatie en automatisering werden duidelijk zichtbaar in de periode na 1957 toen het lokale personeelsbestand in het tijdsbestek van 10 jaren daalde van ruim 12.000 tot slechts 4.500 man waarbij de onderaannemers inbegrepen. De totale hoeveelheid inkomsten die de olie-industrie in omloop bracht, daalde overeenkomstig: f. 63,5 miljoen in 1955, dan weer omhoog naar 83 miljoen in 1957 en daarna een jaarlijkse achteruitgang naar minder dan f. 58 miljoen in 1968.
Bij de onlusten van 30 mei 1969 was de MCB-bank niet direct doelwit van de plunderingen geweest. Daags na de revolte van mei 1969 nam Cedric Ritchie, Chief General Manager van de Bank of Nova Scotia (BNS), contact op met het management van de MCB en bood volledige steun aan in het geval de MCB problemen zou ondervinden als gevolg van de revolte. De geste legde de fundering voor een op wederzijds vertrouwen gebaseerde samenwerking. Zestien maanden later, in oktober 1970, werd een associatie gesloten met de Bank of Nova Scotia uit Canada. Tegelijkertijd werd ook een samenwerking aangegaan met de Bank Mees & Hope uit Nederland, waarbij de aandelenverhouding als volgt werd verdeeld: 30% van de aandelen kwam in handen van de Nova Scotia Bank en 10% kwam toe aan Bank Mees & Hope, 60% bleef in eigendom van de originele aandeelhouders. De MCB transformeerde in een hypermoderne internationaal georiënteerde bank met vele innoverende producten en diensten. Tegelijkertijd werd het lokale karakter van de bank juist versterkt. MCB werd een “Banko Amigu”, een bank voor iedereen met veel persoonlijke aandacht.
In 1975 werden de aandelen van de Bank Mees & Hope weer terug gekocht nadat Mees & Hope overgenomen was door een concurrerende Nederlandse bank. De 10% teruggekochte aandelen werden verdeeld onder de bestaande aandeelhouders op zo’n manier dat de verhouding als volgt werd vastgesteld: 51% voor de originele aandeelhouders en 49% voor BNS. Sinds 1975 is het management in handen van drie directeuren, waarvan één door BNS wordt benoemd.
Niet alleen de MCB onderging sinds 1970 een metamorfose, de gehele financiële sector op Curaçao veranderde vanaf het eind van de jaren zestig van een klein, voornamelijk lokaal opererende sector naar een internationale georiënteerde branche waarin buitenlandse banken een steeds grotere rol speelden. Vooral de internationaal opererende offshore sector deed het goed en genereerde enorme belastingopbrengsten voor het land. Tussen 1970 en 1995 bracht die sector zo’n 4,5 miljard gulden aan belastingrevenuen op. De MCB participeerde in deze sector met de MCB Trust Company en met AMACO NV.
Ook de MCB investeerde in de toeristenindustrie in de jaren zeventig en tachtig. Al in het vorige decennium had de MCB een belangrijk aandeel gehad in de komst van het Hazeleger hotel en het Hilton project. In de twee decennia die hierop volgden initieerde de MCB twee grote nieuwe projecten in het Hilton-gebied. De bouw van het International Trade Center (ITC) in 1984 en de bouw van een kwaliteitshotel direct naast het Hilton hotel en tegenover het ITC: het Sonesta hotel, waarvan de eerste plannen in 1989 werden gepresenteerd. In 1992 werd het project voltooid. Het hotel zou in 1999 overgaan naar de Marriott keten.
Rond de eeuwwisseling werd de economie van Curaçao drastisch gesaneerd. Door oplopende overheidstekorten was de Antilliaanse regering genoodzaakt de hulp van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) in te roepen en zette een strikt liberaal saneringsbeleid in. Daardoor kromp de economie. Bedrijven als de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij moesten sluiten, een groot deel van het ambtenarenapparaat werd verkleind. Het veroorzaakte een emigratiestroom naar vooral Nederland. Het bevolkingsaantal nam af. Na het staatkundig referendum van 2005 werd een nieuw traject ingeslagen dat leidde tot de vorming van het Land Curaçao en sanering van de overheidsschuld. Voor de MCB betekende dit in principe dat er in plaats van te beleggen in overheidsobligaties nu ruimte kwam om in nieuwe projecten te investeren. Hopelijk voor Curaçao dient zich weer een megaproject aan, zoals 100 jaar geleden, misschien weer op het zelfde terrein aan het Schottegat?
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curacao
Foto’s
George Maduro, verzetsheld van Curacao
George John Lionel Maduro
George werd geboren op 15 juli 1916 op Curaçao. Zijn vader Josua Maduro (1891-1964) en zijn moeder Rebecca Deborah “Beca” Maduro (1895-1992) waren neef en nicht en kwamen uit de welgestelde familie Levy Maduro. Hun opa was de beroemde oprichter van de firma S.E.L. Maduro & Sons, Salomon Elias Levy Maduro (1814-1893). George was als mannelijke erfopvolger van de 4e generatie, voorbestemd om als directeur van dit Curaçaos Sephardische handelshuis op te treden. Zijn opvoeding stond in het teken hiervan en al op zijn 10e werd hij door zijn ouders naar een Nederland gestuurd, waar hij anderhalf jaar basisschool, Lyceum en daarna het Gymnasium volgde.
Studie
Op zijn 18e werd George ingeschreven bij de Universiteit van Leiden als rechtenstudent. Dat was in het jaar 1934. George woonde eerst aan het Noordeinde 52 in Leiden, later met een aantal mede-studenten aan het adres Stille Rijn 11 in Leiden.
George kreeg niet de kans zijn opleiding te voltooien, hij was geen mr. in de rechten toen hij in concentratiekamp Dachau stierf. Zijn studietijd werd vaak onderbroken door zijn militaire dienstplicht die daar dwars doorheen liep. Een van de vrienden die George bij de Cavalerie ontmoette was Oncko van Wttewaal van Stoetwegen, met wie hij later in verzet zou gaan. De dienstplicht duurde twee jaar en werd vervuld in drie periodes: een eerste periode van twaalf maanden en dan twee periodes van zes maanden, met daartussen groot verlof. Al met al is hij tussen 1936-1939 met zijn dienstplicht bezig. Reden waarom hij nog niet was afgestudeerd toen de oorlog uitbrak en hij werd opgeroepen bij de mobilisatie van het Nederlandse leger.
Dienstplicht
De eerste periode van George’s dienstplicht – de periode van twaalf maanden – liep van 5 oktober 1936 tot en met 3 oktober 1937. Hij werd ingelijfd bij de Koninklijke Landmacht Regiment Huzaren als gewoon dienstplichtige van de lichting 1936 uit de gemeente Leiden. Op 3 okt 1937 kreeg hij de rang van Wachtmeester. Vervolgens werd hij in de eerste vervolgperiode van zes maanden opgeroepen op 1 januari 1938 – 4 juli 1938. Na die periode had hij de rang van Kornet. Op 4 augustus 1938 ging hij op vakantie naar de Verenigde Staten, waar zijn ouders tijdelijk woonden. Na de zomer van 1938 hebben zijn ouders hem niet meer in leven gezien. In januari 1939 werd het leger gereorganiseerd en werd hij ingedeeld bij het 4e Regiment Huzaren. Van 2 januari 1939 – 4 juli 1939 werd hij voor zijn laatste zes maanden opgeroepen. Zijn tante Ita, oom Henry (da Costa Gomez) en zijn nichtjes Lenny en Ena kwamen daarna nog een laatste keer naar Nederland en gingen samen met George naar Parijs.
Op 28 augustus 1939 mobiliseerde Nederland zijn leger. George melde zich op 29 augustus 1939 en werd aangesteld als reserve-tweede luitenant bij het 4e Regiment Huzaren. (KB 21 november 1939, no. 30). Ook zijn vriend Oncko werd opgeroepen.
Oorlog – Universiteit van Leiden: haard van verzet
Aan de Leidse universiteit doceerde Prof Eduard Meijers – een van de meest aanzienlijke rechtsgeleerden uit Nederland. In november 1940 werd hij door de Duitse bezetter gedwongen ontslag te nemen omdat hij Joods was. Meijers’ oud-promovendus Rudolph Cleveringa hield op 26 november 1940 zijn beroemde protestrede hiertegen. De Leidse studenten kopieerden deze rede en verspreiden het naar alle Nederlandse Universiteiten. Cleveringa werd gearresteerd. De Leidse studenten, waaronder ook Eric Hazelhoff Roelfzema (“Soldaat van Oranje”), hielden een proteststaking. De Duitse bezetter “ontsloeg” daarop alle Leidse studenten en sloot de Leidse Universiteit. Erik Hazelhoff Roelfzema schreef in februari 1941 in zijn eentje het zogeheten ‘Leids manifest’, waarin de Leidse studenten zich tegen de “numerus clausus” keerden waarmee de Duitsers joodse studenten van de universiteiten wilden weren.
Erik Hazelhoff Roelfzema vluchtte in juni 1941 naar Engeland. Voordat hij vertrok nam hij contact op met George Maduro om hem te vragen met hem mee naar Engeland te vluchten. George gaf op dat moment aan in Nederland te zullen blijven. Volgens Roelfzema omdat “zijn verloofde een trekpleister met grote kracht was”.
Willemsorde
Het Duitse aanvalsplan om Nederland te bezetten Operatie “FAL GELB” was erop gericht zo snel mogelijk Den Haag binnen te vallen met luchtlandingstroepen, de regering en koningin in gijzeling te nemen en daarmee de capitulatie af te dwingen. De bedoeling was dat de strijd niet langer dan één dag zou duren. De slag om Den Haag mislukte echter voor de Duitsers. De vliegvelden rond Den Haag, Ypenburg, Ockenburg en Valkenburg werden weliswaar ingenomen, maar de Nederlandse stijdkrachten konden ze terug veroveren. Bij de landing werden Duitse vliegtuigen in groten getale uitgeschakeld. Ca. 1.400 Duitse soldaten werden krijgsgevangen genomen. Het doel van de operatie werd zo bekend en de Koningin en Regering werden in allerijl naar Engeland overgebracht.
In deze “slag om Den Haag” speelde George een heldenrol, waarvoor hij na de oorlog postuum de Militaire Willemsorde heeft gekregen.
In de nacht van 9 op 10 mei werden Duitse parachutisten gedropt om alvast strategische posities in te nemen: een daarvan was Villa Dorrepaal, vanwege het bruggetje over de Vliet die toegang geeft naar Den Haag. Elf Duitse parachutisten werden in de nacht van 9 op 10 mei in nabije omgeving van deze villa gedropt. Zeven verschansten zich in de villa en hielden de tolbrug onder vuur, vier parachutisten bevonden zich buiten de villa. George kreeg bevel erop af te gaan, hij gaf de situatie door en werd gevraagd of de villa in te nemen was. George gaf aan dat dat wel te doen was. Hij had veertien man tot zijn beschikking (vijftien met hemzelf, ze hadden slechts één lichte mitrailleur bij zich). George stelde de miltrailleur op verschillende posities op en liet van verschillende hoeken op de villa schieten, om de vijand het idee te geven dat ze met zwaar geschut waren ingesloten. Hij liet dekkingsvuur openen en bij het vijfde schot rende hij als eerste de brug over, op dat moment werd nog uit de villa geschoten. Hoe dichter hij bij de villa kwam hoe minder er geschoten werd. In de villa aangekomen bleek dat de Duitsers zich in de kelder schuil hielden en gaven aan zich niet over te geven. Ze losten een schot naar boven. Er werd teruggeschoten, door een sergeant uit George groep, één Duitser raakte gewond waarna ze zich over gaven.
Verzet
Nederland capituleerde na het bombardement op Rotterdam. Beroepsmilitairen moesten de “Verklaring op Erewoord” tekenen. De meeste deden dat, de negenenzestig (69) die dat niet deden werden onmiddellijk naar een krijgsgevangenkamp afgevoerd. Dienstplichtigen en reserve personeel, zoals George, moesten zich laten registreren, met als doel later toch als krijgsgevangene te worden afgevoerd. George weigerde te tekenen. Hij werd in augustus 1940 twee weken in hechtenis genomen (Scheveningen – “Hotel Oranje”) vanwege een incident in de meidagen van 1940, waarbij een van de militairen uit zijn groep betrokken was bij een schietincident toen de groep een erop uit gestuurd was om een spion op te pakken. De Duitsers wilden de naam van de schutter uit George’s groep weten. George weigerde namen te noemen. Hij sloot zich aan bij het verzet, Leidse groep, kreeg valse identiteitspapieren en deed verzetswerk.
Onderduiken
Toen Erik Hazelhoff Roelfzema in juni 1941 naar Engeland vluchtte en contact opnam met George om hem te vragen mee te gaan, wees hij dit af. Hij gaf aan in een brief aan zijn ouders dat hij geen plannen had om te vluchten. Zijn vader zegt daarover in een van de correspondentiestukken: “Zijn verloofde was een trekpleister met grote kracht”
Wie was zijn vriendin?
Hedda Ingrid de Haseth Möller (21-2-1919)
George zat ondergedoken in Den Haag op verschillende adressen. Maar waar hij de meeste tijd doorbracht was bij Christine Wilhelmine Isabelle Wttewaall van Stoetwegen, de zus van zijn vriend Oncko. Zij woonde op de Statenlaan in Den Haag.
Christine Wilhelmine Isabelle Wttewaall van Stoetwegen is zeer bekend: direct na de oorlog werd ze lid van de Tweede Kamer, had zitting in de parlementaire enquête commissie over de Nederlandse regering in ballingschap. Fractieleider van de CHU. Stond bekend als de freule, de rode freule (vanwege haar stemgedrag) of de oranje freule (ze had goede banden met het Koningshuis, was bevriend met Juliana). George noemde haar “Bob”.
Na de dood van George heeft ze gecorrespondeerd met de ouders van George (1945-1946). Die correspondentiestukken zijn na haar dood (1987) in het bezit gekomen van haar executeur-testamentair (Jonkheer Reneke Alexander van Swinderen, haar oom – broer van haar moeder). Zijn dochter, Henriette van Swinderen, heeft de stukken gevonden en overgedragen aan mw. Marjori Da Costa Gomez-Brandao in 2001. Daarna zijn ze beland in de Mongui Maduro Bibliotheek op Curaçao.
Christine Wttewaal van Stoetwegen zegt over George’ vriendin “Ik vond het wel een aardig meisje toen maar allerminst een vrouw voor George. Ze maakte geen verliefde indruk en er waren voortdurend haken en oogen”.
De vriendschap werd beëindigd toen George zijn tweede gevangenschap doormaakte in Scheveningen (eind juni 1941 – 19 december 1941). Op de dag dat hij vrij kwam is Hedda getrouwd met . J.H.D. van der Kwast, directeur-generaal bij het ministerie van Economische Zaken, later algemeen directeur van de Koninklijke Jaarbeurs.
Onderduikadressen in Den Haag:
George had verschillende onderduikadressen, o.a. Statenlaan 95, Wassenaarseweg 98, Frederik Hendriklaan 111, Wassenaarseweg en Laan van Meerdervoort. Hij verbleef ook bij adressen van vrienden en het adres in Leiden.
Hoe kwam hij aan geld?
Eerst via een accountant van zijn ouders, later in de oorlog was dat niet meer mogelijk. Hij leende wat bij “Bob” en heeft op een gegeven moment via speculatie verdiend. Dat ging via een vriend van Oncko. Oncko woonde op de Laan van Meerdervoort 52, Den Haag. Maar zat ondergedoken in Amsterdam bij de firma Numan en Hansen, een makelaar in effecten. Oncko kende Jan van Boetzelaar, zoon van de firmant van deze firma goed. George leende 4.000 gulden bij hem, kocht een aandeel Koninklijke Olie, die door mw. Anna van Vredenburgh naar België mee werd genomen en daar verkocht. George kreeg toen 68.000 francs in handen. (1 franc was 8 cent – winst = 1.440 gulden) (N.B.: ook Jan van Boetzelaar is omgekomen in Duitse gevangenschap).
Met de winst op zijn aandeel Shell heeft hij o.a. zijn vlucht naar België (route naar Engeland) betaald in 1943.
Hoe zag onderduikleven eruit?
Hij begaf zich wel op straat, kwam ook in de trein. Hij had valse identiteitspapieren. Als hij bijvoorbeeld met “oom Bob” in de trein reisde, zorgden ze dat ze niet bij elkaar zaten, maar elkaar wel in de gaten konden houden. Ze konden elkaar waarschuwen als ze controles zagen. Hij had geen sleutel bij zich van de Statenlaan, hoewel hij daar het meest zat bij “oom Bob” (mocht nooit met sleutel op zich gevonden worden). Als hij op onderduikadres aankwam en er was niemand dan melde hij zich bij de buren (een gepensioneerd militair – overste Weyerman, met echtgenote, een echtpaar op leeftijd).
Verzetswerk
Van hem zijn toch verzetsdaden bekend geworden – die zijn bekend geworden via een Amerikaanse luitenant, piloot van een B17 bommenwerper (“Flying Fortress”) die hij in Brussel ontmoette, op zijn vluchtpoging naar Engeland. Deze Lt. Rothery Mc Keegan vertelde dat toen hij samen met George en Oncko zat te kaarten “Bridge” dat hij als verzetsman samen met Oncko, s nachts wapens uit Duitse barakken stal voor de ondergrondse organisatie en hij voerde spionageactiviteiten uit, m.n. het verzamelen van inlichtingen over mogelijke doelen, waarmee de RAF deze kon bombarderen.
Vlucht naar Engeland mislukt
Oncko en George vluchtten afzonderlijk naar België. Oncko eerst, ze ontmoeten elkaar in Antwerpen op een afgesproken plaats. Vlak voor George vertrok bezocht hij nog Dr. H.M. Alvares Correa in Amsterdam en deelde hem mee dat hij van plan was om de route van Ernest Cohen Henriques te volgen, die via Spanje naar Curaçao was gevlucht. (met als doel zijn ouders te informeren) – Cohen Henriquez kwam in november aan op Curaçao.
Op 2 juni 1943 gaat Oncko naar België. Oncko zat al een week ondergedoken bij mw. Lies van Altena, een contact die hij via de ondergrondse relaties had gekregen. Verschillende lijnen werden besproken. Uiteindelijk bood een lijn zich aan via dhr. Wolters, directeur van de firma Sinfina uit Brussel. Oncko en George moesten hun eigen naam opgeven, wat ze gedaan hadden, en hun contacten in Engeland. Dit werd via een geheime zender getest. Ondertussen hadden ze een andere route ontdekt waar alleen vliegers over heen gingen. (Later bleek dit dezelfde lijn te zijn).
De gene die deze route leidde was “the Chief”, Oncko en George noemden hem “de Turk” (vanwege zijn Zuid Europees uiterlijk). Eerst werden ze opgehaald om naar een huis gebracht te worden in Brussel waar ze door de Chief opgehaald zouden worden voor vertrek. In het huis in Brussel kwamen ze twee Engelssprekenden tegen, Lt. Mc Keegan (eerder genoemd) en Lt. Jones die zeiden dat s ’ochtends een transport met vliegers was vertrokken en dat zij te veel waren en over waren gebleven. Ze wachten op het volgende transport. Dat duurde enkele dagen.
De zaterdag daarop werden ze door de Chief in gedeelten naar de trein gebracht, waar ze besproken plaatsen hadden. Oncko en George gingen echter na een poosje in de gang staan “daar de zenuwspanning haast te groot was”. Negen mensen die geen Frans spraken op vijandelijk gebied” . Verschillende mensen viel dat op. George rookte de ene sigaret na de andere. In Charleville (N-Frankrijk, net over de grens) moesten ze overstappen op de trein naar Parijs. Daar moesten ze een uur op de aansluiting naar Parijs wachten. De begeleider zei dat ze het station zouden uitgaan om te eten. Ze zouden dan door een andere “passeur” worden begeleid. Die bracht hen naar een leeg huis. Hier werden ze op de tweede etage overvallen door de S.D. met tommy guns. Het was zaterdagmidag half drie.
Op dinsdag werden George en Oncko naar Saarbrücken gebracht. (aldus het verslag van Oncko in juni 1945 als hij net terug komt uit concentratiekamp Sachsenhausen).
Toen hij werd weggeleid door de Gestapo gaf George zijn gouden ring aan Lt. Mc Keegan, hij dacht namelijk dat hij gelijk geëxecuteerd zou worden. Mc Keegan nam later ook contact op met de ouders van George en gaf een gelijkluidend relaas.
Saarbrücken
Oncko en George zaten 46 weken met elkaar in Saarbrücken gevangen (“sonderform, einselhaft, ohne begunstigung”, met het plakaat “halsmisdadigers”op de celdeur). Dat hield in: speciale bewaking, apart wandelen, niet naar de kerk, niet scheren zonder bewaking. Oncko en George zaten zes cellen van elkaar af en de gevangenisautoriteiten hadden opdracht om de twee streng gescheiden te houden. Niet gezamenlijk baden, wandelen etc. Oncko moest langs zijn cel lopen om naar buiten te komen. George had echter een potlood gekregen / geregeld en schreef op een papiertje wat Oncko moest zeggen bij verhoor. Op maandag 21 oktober werden ze voor het eerst verhoord. Toevalligerwijs hadden ze de zaterdag daarvoor een invaller wachtmeester op de gang die ze gezamenlijk liet baden, waardoor ze met elkaar konden afspreken wat te zeggen bij verhoor. George werd s’ morgens de hele ochtend verhoord, Oncko de hele middag. “mijn verhoor was natuurlijk zwaarder daar ze mij verhoorden met het papier van George in de hand en daar allerlei strikvragen uit trachten te concluderen. Ik maakte maar één fout, waar George zich danig over opwond, maar wat goed uitgevallen is. Ze begrepen niet dat George en ik niet gelijk in België waren aangekomen en in Nederland elkaar maar eenmaal hadden gezien . “Ik was namelijk ondergedoken in Amsterdam”. In november kwam een luitenant van de Gestapo uit Brussel om te kijken of ik of George de verbindingsmensen waren geweest tussen België en Holland. “Dit verhoor was aanzienlijk onaangenamer daar deze man alles over ons wist” George speelde hoog spel. De Gestapo vertelde dat hij over twee dagen terug zou komen maar is verder nooit meer geweest.”
Honger oedeem
“Toen we in Saarbrücken in maart of april 1944 gewogen werden, wogen we allebei nog maar 59 kilo“ aldus Oncko. George gaf aan dat hij “water in zijn knieën had en hij het aan zijn hart had”, verschijnselen van honger oedeem.
In 1944 werd Saarbrücken gebombardeerd door de Amerikanen. Op 11 mei 1944; ‘s avonds om 7 uur werden vijf voltreffers (een kettingbom) op de gevangenis geworpen. Oncko: “Het was net voor het eten, George zat te lezen toen het gebeurde en zat ongeveer 30 meter van de inslag. Twee vleugels werden zwaar beschadigd, de onze had toevallig niets”. Alle cellen werden opengegooid. Oncko rende naar George zijn cel maar hij was al weg stond in het puin en zei Oncko dat dat het immoreel was te vluchtten, omdat er mensen onder het puin lagen te gillen. George en Oncko hebben er twee Polen uit het puin gegraven.
De bombardementen hielden aan. Op een dag toen Saarbrücken wederom hevig gebombardeerd werd en het personeel in de schuilkelders ging heeft een Pool George zijn celdeur opengemaakt. Hij ging direct naar de cel van Oncko en ze hebben geprobeerd te vluchten, George had zijn burgerkleren aan, Oncko zijn gevangenis kleren. George gaf zijn jas aan Oncko om niet op te vallen, ze kwamen tot buiten de muur totdat de directeur voor ze stond met getrokken pistool. “We hebben ons eruit gepraat door te zeggen dat we naar de schuilkelder zochten”.
Dachau
Eind juli 1944 gaat Oncko naar Sachsenhaussen (bij Berlijn) George zit nog een paar maanden extra in Saarbrücken, waar hij erg verzwakt. In november 1944 gaat hij naar Dachau.
George kwam op 25 november 1944 al ziek aan in Dachau. Hij werd in een quarantaine barak (blok 17) geplaatst. Aldus het verslag van een Fransman Arnold Jaeger die met zijn ouders correspondeerde.
Na het quarantaine blok werd hij later overgebracht naar blok 23. Daar verloor Arnold hem uit het oog omdat hij –zoals velen – besmet werd met tyfus. Doordat hij al verzwakt was kwam hij de tyfusbesmetting niet meer te boven. Hij stierf 9 februari 1945. Op 17 april werd Dachau bevrijd.
De bevestiging van George dood kregen zijnouders pas maanden na de oorlog.
De overlijdensakte van het kamp Dachau werd op 9 oktober 1945 door het Amerikaanse War Department naar Josua en Beca gestuurd:
“Hereby it is certified that the former prisoner of the concentration camp Dachau Mr. Maduro George, born 15 July 1916 at Curaçao, arrived in Dachau 25 November 1944, ex prisoner nr. 133401, died 9 February 45 and was cremated in the crematorium of the camp”.
De vader van George had samen met de vader van Ernest Cohen Henriquez (J. Cohen Henriquez) op 4 september 1942 een verzoekschrift aan de Koningin gestuurd om de uitwisseling te bewerkstelligen tussen George en Ernest tegen een aantal op Bonaire geïnterneerde Duitsers. Hierop is de Nederlandse regering niet ingegaan, hoewel de Duitse autoriteiten daarin wel interesse toonden, aldus de Zweedse diplomaten die namens zijn ouders bemiddelden:
“The question had been brought up about an exchange of Germans interned in Curaçao against Curaçao-Dutchmen and the German authorities have declared their willingness in principle to liberate your son in connection with the proposed exchange, which is still the object of study”.
Ter nagedachtenis aan hun zoon hebben Beca en Josua het startkapitaal gedoneerd om de miniatuurstad Madurodam op te zetten. Het werd naar hun zoon George vernoemd.
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
In 2016 werd een uitgebreide biografie met heel veel nieuwe informatie en details over George Maduro gepubliceerd door auteur Katleen Brandt-Carey. Het boek is uitgegeven door Spectrum.
Foto’s
De verovering van Curacao
De verovering van Curaçao 1634
Nederland was vanaf 1560 tot 1640 verwikkeld in een oorlog met Spanje, om hun onafhankelijkheid te verkrijgen. Mede door deze strijd, die veel kapitaal, schepen en manschappen vereiste, namen de Nederlanders aanvankelijk niet deel aan de ontdekkingsreizen en ze hadden zich vóór 1580 nog niet in het Caribisch gebied vertoond. Dit veranderde toen in 1580 Spanje Portugal veroverde en de vereniging met Portugal (1580-1640) een feit was. Portugal mocht van Spanje geen handel meer drijven met Nederland, waarmee het in oorlog was. Nederland handelde vooral met Portugal in zout en de Nederlanders zagen zich gedwongen elders zout te halen. Zout was in die dagen heel belangrijk voor het conserveren van voedsel, met name vis. In 1585 kwamen de eerste Nederlandse schepen voor de Venezolaanse kust, zout ophalen bij de zoutpannen van Punto Araya, tegenover Curaçao. Nadat de Nederlanders na een kortstondig verblijf op St. Maarten werden verdreven, gingen de Heren XIX, de bestuurders van de West Indische Compagnie (WIC), bestaande uit 19 personen, nadenken over een goede verdedigbare basis in het Caribisch gebied, van waaruit alle operaties konden plaatsvinden. Het oog viel op Curaçao, omdat het goede verdedigbare havens had en het lag gunstig ten opzichte van Venezuela en de toenmalige handelsroutes. Van hieruit zou bovendien (de aanvoerlijnen van) vijand Spanje bestreden kunnen worden.
Tijdens de vergadering van 6 april 1634 gaven de bewindhebbers van de WIC goedkeuring aan de veroveringsplannen. Er werd een expeditie uitgerust onder leiding van Johan van Walbeeck en Pierre Le Grand. De expeditie bestond uit 180 matrozen en 225 soldaten. Op 28 juli 1634 slaagden zij erin de haven van Curaçao binnen te zeilen. De Spanjaarden gaven zich spoedig over. Bij de overgave werd bepaald dat het grootste deel van de indianen, ongeveer 400 in aantal en de 32 Spanjaarden vrije aftocht hadden. Ze werden naar Coro, Venezuela gestuurd. Op 21 augustus was de capitulatie een feit.
De manier waarop de verovering van Curaçao door de Hollanders op de Spanjaarden in 1634 zich afspeelde is het best te zien op de illustratie die door de Ruesta werd getekend. Het origineel van deze kaart wordt bewaard in het Archivo General de Indias, Sevilla in Spanje.
De tekening laat een “Armada Oladesa” zien van 7 schepen die de Annabaai zijn binnengevaren en naar het Westen van het Schottegat voeren. De ingang van de Annabaai werd door de Spanjaarden slechts verdedigd vanuit de Oostzijde (punda-kant) door een platform (V). De soldaten verlieten de schepen in sloepen en gingen aan wal bij het schiereiland van Asiento. Vandaar uit vertrokken ze over land in de richting van “Pos Cabai”, waar een Spaanse versterking stond. Op de kaart staat een “castillo” getekend, met slotgrachten erom heen. (De omschrijving is “castillo en el sitio de la Higuera”). Interessant is dat er op de kaart 2 “poblacions” (dorpjes, met kerkjes) staan aangegeven. De Poblacion van Sta. Anna, staat getekend in Bandariba ongeveer ter hoogte van Matancia / Rio Canario. In Bandabou staat de poblacion van Asencion getekend. Hier moeten de Indianen hebben gewoond. Het zijn waterrijke gebieden.
Kijk ook even naar de Canon van Curacao over dit onderwerp.
Publicatie:
De bewoners van Curacao, vijf eeuwen van lief en leed. Gibbes/ Romer-Kenepa/ Scriwanek
Foto’s in gallery:
1. Situatie schets van de verovering door Van Walbeeck getekend door Franciscoo de Ruesta (1634)
2. Afbeelding uit de 18e eeuw van de verovering van Johan van Walbeeck.
3. Het West Indisch Huis in Amsterdam, zitplaats van de Kamer van Amsterdam van de WIC.
Johan van Walbeeck and the conquest of Curaçao
The Netherlands, in order to obtain their independence, was engaged in a war with Spain from 1560 to 1640. Partly because of this war, which required a lot of resources, ships and men, the Dutch did not participate in the first exploration, like Portugal and Spain. Their ships were not seen in the Caribbean before 1580. This changed in 1580 when Spain conquered Portugal and the union with Portugal (1580-1640) was established. Portugal was not allowed to trade with the Netherlands, Spains enemy. The Portugal-Netherlands trade was mainly in salt and the Dutch were forced to look for other areas to get their salt. Salt was very important for the preservation of food, particularly fish in those days. In 1585 the first Dutch ships sailed off the Venezuelan coast, where they came to collect salt from the salt pans of Punto Araya, near Curaçao. After the Dutch were expelled from St. Maarten, the “Heeren XIX”, the directors of the West India Company (WIC), consisting of 19 people, began considering the possibility of maintaining a well defensible basis in the Caribbean, from which all operations could take place. The option of Curaçao was on the table, because of the well defensible harbors. It was conveniently positioned to Venezuela and the trade routes. It could be used as a marine base to attack (supply lines of) enemy Spain.
At the meeting on April 6, 1634 the directors of the WIC approved the plan of conquest. An expedition force was formed, led by Johan van Walbeeck and Pierre Le Grand. The expedition consisted of 180 sailors and 225 soldiers. On July 29, 1634 they conquered Curacao. The Spaniards surrendered with the agreement that the majority of Indians, about 400 in number and 32 Spaniards would be free to leave. They were sent to Coro, Venezuela. On August 21, the capitulation was a fact.
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Foto’s
Het ontstaan van Willemstad
De vroegste ontwikkeling van Willemstad is het best te reconstrueren door middel van kaarten. De eerste kaart hiernaast in de gallery dateert uit 1634 (Grondtekeninge), daarna een kaart uit 1707 en vervolgens een kaart van 1737. In 1634, ten tijde van de verovering door de Nederlanders op de Spanjaarden van het eiland Curaçao was “de Punt” (Punda) niet meer dan een vlak terrein, een schiereilandje van 7 hectare, begroeid met wat cactussen en struiken. In 1707 zag het er heel anders uit: Fort Amsterdam was gebouwd, ten noorden daarvan lag een stad, aan drie zijden ervan beschermd door een stadsmuur, met daarbinnen nauwe straatjes en steegen met verdiepingshuizen, veelal voorzien van een galerij.
Het bestuur en hoofdmacht van het garnizoen ging zich daar vestigen, waardoor het de belangrijkste plek op Curaçao werd. Direct na de verovering van Curaçao door de Hollanders werd hun kamp opgeslagen in het gebied waar nu de landhuizen Koningsplein en Pos Cabai liggen. Dat was juli 1634. Op de Punt werden wat verdedigingswerken opgebouwd. In maart 1635 begon men met de bouw van Fort Amsterdam. Het aantal inwoners bedroeg toen (oktober 1634): 50 Indianen en 412 “koppen”, waarvan de meeste militairen en matrozen. In 1651 kwam een eerste groep Joden onder leiding van Joa d Yllan aan en in 1659 kwam een relatief grote groep Joden onder leiding van Isaac da Costa over om zich te vestigen op Curaçao. Aanvankelijk vestigden zij zich ten noorden van het Schottegat bij Plantage De Hoop of het “Joodse Kwartier” en begonnen met landbouw. Vrij snel besloten ze zich toe te leggen op handelsactiviteiten en bouwden en kochten (pak)huizen in “Punda”, nabij het Fort. De eerste bewijzen voor de bouw van pakhuizen voor “negotianten” stammen uit 1664. In 1665 waren er 600 blanke bewoners op Curaçao, volgens directeur Matthias Beck.
Het eerste slavenschip “de Bontekoe” voer in 1657 met 191 Afrikanen de Annabaai binnen. In het midden van de jaren zestig van de 17e eeuw kwam een regelmatige stroom van slavenschepen aan die via Curaçao doorverkocht werden. Daarvan bleef een aantal op het eiland achter om op plantages en in de stad te werken. In 1717 werd een aantal van 135 vaste slaven “achter het Fort” genoemd. In die tijd kende de stad 214 panden.
Belangrijk voor de ontwikkeling tot stad was de beslissing van de Staten Generaal om – na de opheffing van de eerste West Indische Compagnie – de haven van Curaçao tot “open haven” te verklaren. Op 20 april 1675 werd dat besluit genomen. De haven werd opengesteld voor andere landen en particulieren om hier slaven of goederen te kopen. Dit besluit was van belang voor de ontwikkeling van Willemstad tot havenstad. Bij het Waaigat werd een deel van de binnenhaven gedempt en werden de stadmuren van het Fort tot het Waaigat doorgetrokken.
Deze muren bleven bijna 2 eeuwen het stadsbeeld bepalen. Ze werden in de jaren 1861-1864 gesloopt. Destijds had Otrobanda al meer inwoners dan Punda. De eerste wijken buiten de stadmuren waren Pietermaai en Scharloo. Bij het begin van de 20e eeuw, bij de opkomst van de stoomvaart, kreeg de haven van Willemstad weer een opleving doordat het zich tot kolen bunkerplaats ontwikkelde. Met de komst van de raffinaderij in 1915 brak een geheel nieuw tijdperk aan.
Meer info:
Nationaal Archief Curacao of kijk ook even op Canon 10 van de Canon van Curacao
Publicatie:
Van Punt en Snoa – B. Buddingh
Willemstad
In 1634, at the time of the conquest by the Dutch on the Spanish of the island of Curaçao, “De Punt” (Punda) was no more than a flat surface, a peninsula of 7 acres, covered with cactuses and shrubs. In 1707 it looked quite different: Fort Amsterdam was built and north of it a city has emerged. The city was protected by a wall on three sides. Inside the wall you could see a series of narrow streets and alleys with storey houses, often with a gallery.
The Construction of Fort Amsterdam began in March 1635. With the establishment of Government and garrison there, it became the most important place in Curacao. Merchants, many of them Jewish settlers, started to build their store houses north of Fort Amsterdam from 1664 onwards. The big boost for the city came after the Dutch declared the harbor an “open harbor” in 1675. That was after the dissolution of the First West Indian Company (WIC) and at the establishment of the second WIC. Willemstad was open for every country or individual to buy and sell products and … slaves. The first slave ship “the Bontekoe” entered the Annabaai in 1657 with 191 Africans on board. In the mid-sixties of the 17th century, a steady stream of slave ships arrived. Willemstad developed as a transit port. In 1717 a number of 135 slaves lived in the city, “behind the Fort.” The city had 214 constructions in that period. City walls were erected from the Fort to the Waaigat after 1675. They were demolished in the years 1861-1864, due to rapid growth of the population. By then the other side of the Annabaai, Otrobanda, had more inhabitants then Punda. Pietermaai en Scharloo were the first neighborhoods outside Punda, outside the former city walls. At the start of the new century, with the advent of steam navigation, the Curacao harbor could develop as coal bunkering place. With the arrival of the Refinery in 1915 a new era started for Willemstad.
More info:
National Archives Curacao or Canon Curacao
Publication:
Van Punt en Snoa – B. Buddingh
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Het opbouwen en afbreken van de stadsmuren
De directe opvolger van Johan van Walbeeck als directeur van de WIC op Curaçao was Jacob Pietersz Tolck. Zijn bestuursperiode liep van 1639-1641. Tolck is begonnen met de bouw van een muur vanaf het Fort Amsterdam, dat tussen 1635 en 1639 werd gebouwd, tot aan het Waaigat. Daarvoor liet hij het vijfde bastion van het Fort (aan de zeezijde) afbreken en met het materiaal een muur optrekken. Dit deel diende als eerste gedeelte van de latere stadsmuur. Na 1674 werd de stadsmuur doorgetrokken langs het Waaigat tot aan de St. Annabaai toe. Op de hoek Waaigat / Sint Annabaai werd Fort Oranje gebouwd, dat samen met Fort Amsterdam, de Handelskade (waar geen muur was) moest beschermen. Zie kleurentekening, afbeelding 1. Dit is een tekening uit ca. 1860, van G.W.C. Voorduin. Hierop is de ingang van het Waaigat te zien met de stadsmuur en een deel van Fort Oranje.
In 1864 werd de stadsmuur gesloopt. De muur had geen functie als verdedigingswerk meer en stond stadsuitbreiding in de weg. Belangrijker nog: op de plek van de Noordelijke stadsmuur konden nieuwe kades worden aangelegd. Degenen die de concessie voor het afbreken aanvroegen en ook kregen, waren de concurrenten van Jacob Abraham Jesurun, die vrijwel alle werven aan de Annabaai in bezit had. Met het afbreken van de muren en het aanleggen van nieuwe kades aan de Waaigat-zijde werd het monopolie van Jacob Abraham Jesurun doorbroken. Het zorgde voor grote spanningen in de Joodse gemeenschap.
De concessie voor het afbreken van de Noordelijke stadsmuren werd in 1864 gegeven aan de in 1860 speciaal voor dit doel gevormde maatschappij van S.E.L. Maduro, Abraham Jacob Senior, Jeudah Senior, Elias Jesurun Henriquez en Abraham Capriles. Met het puin van de stadsmuren werd inderdaad een deel van het Waaigat gedempt en op de aldus ontstane kade (de De Ruyterkade nu: Sha Capileskade) nieuwe werven en pakhuizen neergezet. Op de tweede illustratie zijn de nieuwe werven te zien. Tevens is op deze foto de Van den Brandhof brug te zien die op 7 juli 1883 werd geopend.
Het zakelijke conflict tussen de groep Jesurun en de groep S.E.L. Maduro zorgde voor een splitsing in de Joodse gemeenschap. In 1864 splitste de liberale gereformeerde groep rond Jacob Abraham Jesurun zich van de Joodse gemeente Mikvé Israël af en werd de Gemeente Emanu-el opgericht. De Tempel werd op 12 september 1865 opgeleverd. De nieuwe Vrijzinnig Israëlitische Gemeente Emanu-el onder leiding van Jacob Abraham Jesurun had 105 leden. Op 12 mei 1865 werd Emanu-el door de Minister van Koloniën erkend. De scheiding tussen de gereformeerde gemeenschap Emanu-el en de meer conservatief ingestelde gemeente Mikvé Israël zou een eeuw duren.
Jacob Abraham Jesurun overleed in 1875. Rond de eeuwwisseling verkocht de firma Jesurun zijn meeste werven aan de Handel en Industrie Maatschappij later beter bekend onder de naam Curaçaose Handels Maatschappij (CHM) of Curaçao Trading Company (CTC).
Publicatie:
Scriwanek De Momon Cyclus, 2012
Foto’s in gallery:
1. G.W.C. Voorduin, ca. 1860. Gezichtspunt op de Noordelijke stadsmuur – hoek Waaigat – Annabaai.
2: Stadsmuur bij Fort Amsterdam.
3. Gezichtspunt vanuit de toren van de Tempel (in aanbouw?), richting Wilhelminaplein. De Oostelijke stadsmuur is hier goed te zien. Het sluit de ingang van de Breedestraat af en daar is ook de stadspoort te zien. (Op de foto erna is de muur geel ingetekend).
4. Gezichtspunt vanuit ongeveer de huidige Kathedraal (Pietermaai) richting Punda, rechts Waaigat, links daarvan het oefenterrein van de Schutterij. Goed te zien de Oostelijke stadsmuren.
Johan van Walbeeck’s successor as director of the WIC on Curaçao was Jacob Pietersz Tolck. His tenure ran from 1639 to 1641. Tolck has started the construction of a wall from the Fort Amsterdam, which was built between 1635 and 1639, up to the Waaigat. To do so, he demolished the fifth bastion of the Fort (on the sea side) and with that material, build up the wall. This wall served as the first part of the later city wall. After 1674 the city wall was pulled along the Waaigat down to the St. Anna Bay. Fort Orange was constructed at the corner Waaigat / St. Anna Bay, which together with Fort Amsterdam, protected the Handelskade (where there was no wall). See color drawing, Figure 1. This is a drawing from 1860, of G.W.C. Voorduin. It shows the entrance to the Waaigat with the city wall and part of Fort Orange.
In 1864 the Northern city wall was demolished. The wall had no proper function for defense and was hindering urban expansion. More importantly, new quays could be built on the site of the Northern city wall. Those who applied for the concession for demolition, were competitors of Jacob Abraham Jesurun, who held virtually all quays at the Anna Bay. By breaking down the walls and the construction of new quays at the Waaigat-side, his monopoly was broken. It caused great tension in the Jewish community.
The concession for the breakdown of the Northern city walls was given in 1864 to a group of entrepeneurs: S.E.L.. Maduro, Abraham Jacob Senior, Jeudah Senior, Elias Jesurun Henriquez en Abraham Capriles. The new quay that was constructed at the entrance of the Waaigat, (the Ruyterkade now: Sha Capileskade) served as wharf for the Maduro-group. They built warehouses on the spot. The second illustration shows the new wharf. Also on this photo: the Van den Brandhof bridge that was opened on July 7, 1883.
The business conflict between the group S.E.L. Maduro and the group Jesurun caused a split in the Jewish community. In 1864 the liberal group around Jacob Abraham Jesurun split from the Jewish Congregation Mikvé Israel and founded the new Congregation Emanu-el with a new Synagogue: the Temple. The Temple was completed on September 12, 1865. The new Liberal Jewish Congregation Emanu-el led by Jacob Abraham Jesurun had 105 members. On May 12, 1865 Emanu-el was recognized by the Minister of Colonies. The separation between the Reformed community Emanu-el and the more conservative congregation Mikvé Israel would last a century.
Jacob Abraham Jesurun died in 1875. Around the turn of the century the Jesurun firm sold the majority of its quays to the Curacao Trading Company.
Deze tekst en foto’s mogen alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Foto’s
De komst van de olieraffinaderij op Curaçao
De verovering van Curaçao 1634
Nederland was vanaf 1560 tot 1640 verwikkeld in een oorlog met Spanje, om hun onafhankelijkheid te verkrijgen. Mede door deze strijd, die veel kapitaal, schepen en manschappen vereiste, namen de Nederlanders aanvankelijk niet deel aan de ontdekkingsreizen en ze hadden zich vóór 1580 nog niet in het Caribisch gebied vertoond. Dit veranderde toen in 1580 Spanje Portugal veroverde en de vereniging met Portugal (1580-1640) een feit was. Portugal mocht van Spanje geen handel meer drijven met Nederland, waarmee het in oorlog was. Nederland handelde vooral met Portugal in zout en de Nederlanders zagen zich gedwongen elders zout te halen. Zout was in die dagen heel belangrijk voor het conserveren van voedsel, met name vis. In 1585 kwamen de eerste Nederlandse schepen voor de Venezolaanse kust, zout ophalen bij de zoutpannen van Punto Araya, tegenover Curaçao. Nadat de Nederlanders na een kortstondig verblijf op St. Maarten werden verdreven, gingen de Heren XIX, de bestuurders van de West Indische Compagnie (WIC), bestaande uit 19 personen, nadenken over een goede verdedigbare basis in het Caribisch gebied, van waaruit alle operaties konden plaatsvinden. Het oog viel op Curaçao, omdat het goede verdedigbare havens had en het lag gunstig ten opzichte van Venezuela en de toenmalige handelsroutes. Van hieruit zou bovendien (de aanvoerlijnen van) vijand Spanje bestreden kunnen worden.
Tijdens de vergadering van 6 april 1634 gaven de bewindhebbers van de WIC goedkeuring aan de veroveringsplannen. Er werd een expeditie uitgerust onder leiding van Johan van Walbeeck en Pierre Le Grand. De expeditie bestond uit 180 matrozen en 225 soldaten. Op 28 juli 1634 slaagden zij erin de haven van Curaçao binnen te zeilen. De Spanjaarden gaven zich spoedig over. Bij de overgave werd bepaald dat het grootste deel van de indianen, ongeveer 400 in aantal en de 32 Spanjaarden vrije aftocht hadden. Ze werden naar Coro, Venezuela gestuurd. Op 21 augustus was de capitulatie een feit.
De manier waarop de verovering van Curaçao door de Hollanders op de Spanjaarden in 1634 zich afspeelde is het best te zien op de illustratie die door de Ruesta werd getekend. Het origineel van deze kaart wordt bewaard in het Archivo General de Indias, Sevilla in Spanje.
De tekening laat een “Armada Oladesa” zien van 7 schepen die de Annabaai zijn binnengevaren en naar het Westen van het Schottegat voeren. De ingang van de Annabaai werd door de Spanjaarden slechts verdedigd vanuit de Oostzijde (punda-kant) door een platform (V). De soldaten verlieten de schepen in sloepen en gingen aan wal bij het schiereiland van Asiento. Vandaar uit vertrokken ze over land in de richting van “Pos Cabai”, waar een Spaanse versterking stond. Op de kaart staat een “castillo” getekend, met slotgrachten erom heen. (De omschrijving is “castillo en el sitio de la Higuera”). Interessant is dat er op de kaart 2 “poblacions” (dorpjes, met kerkjes) staan aangegeven. De Poblacion van Sta. Anna, staat getekend in Bandariba ongeveer ter hoogte van Matancia / Rio Canario. In Bandabou staat de poblacion van Asencion getekend. Hier moeten de Indianen hebben gewoond. Het zijn waterrijke gebieden.
Kijk ook even naar de Canon van Curacao over dit onderwerp.
Publicatie:
De bewoners van Curacao, vijf eeuwen van lief en leed. Gibbes/ Romer-Kenepa/ Scriwanek
Foto’s in gallery:
1. Situatie schets van de verovering door Van Walbeeck getekend door Franciscoo de Ruesta (1634)
2. Afbeelding uit de 18e eeuw van de verovering van Johan van Walbeeck.
3. Het West Indisch Huis in Amsterdam, zitplaats van de Kamer van Amsterdam van de WIC.
Johan van Walbeeck and the conquest of Curaçao
The Netherlands, in order to obtain their independence, was engaged in a war with Spain from 1560 to 1640. Partly because of this war, which required a lot of resources, ships and men, the Dutch did not participate in the first exploration, like Portugal and Spain. Their ships were not seen in the Caribbean before 1580. This changed in 1580 when Spain conquered Portugal and the union with Portugal (1580-1640) was established. Portugal was not allowed to trade with the Netherlands, Spains enemy. The Portugal-Netherlands trade was mainly in salt and the Dutch were forced to look for other areas to get their salt. Salt was very important for the preservation of food, particularly fish in those days. In 1585 the first Dutch ships sailed off the Venezuelan coast, where they came to collect salt from the salt pans of Punto Araya, near Curaçao. After the Dutch were expelled from St. Maarten, the “Heeren XIX”, the directors of the West India Company (WIC), consisting of 19 people, began considering the possibility of maintaining a well defensible basis in the Caribbean, from which all operations could take place. The option of Curaçao was on the table, because of the well defensible harbors. It was conveniently positioned to Venezuela and the trade routes. It could be used as a marine base to attack (supply lines of) enemy Spain.
At the meeting on April 6, 1634 the directors of the WIC approved the plan of conquest. An expedition force was formed, led by Johan van Walbeeck and Pierre Le Grand. The expedition consisted of 180 sailors and 225 soldiers. On July 29, 1634 they conquered Curacao. The Spaniards surrendered with the agreement that the majority of Indians, about 400 in number and 32 Spaniards would be free to leave. They were sent to Coro, Venezuela. On August 21, the capitulation was a fact.
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Foto’s
30 mei 1969
De raffinaderij, de grootste werkgever op Curaçao in 1969, werkte met een aantal aannemersbedrijven. Wescar, Werkspoor Caribbean, was daar een van. De arbeiders van de aannemersbedrijven kregen minder betaald dan de Shell-arbeiders, voor het zelfde werk. Toen de Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) van Wescar op 6 mei afliep en er over een nieuwe overeenkomst onderhandeld moest worden, eisten de Wescar arbeiders “equal pay, for equal work”. De Wescar directie gaf echter niet of onvoldoende toe. Ewald Ong A Kwie, voorzitter van de vakbond “De Curaçaosche Federatie van Werknemers (C.F.W.), die de Wescar arbeiders vertegenwoordigde, ging over tot een staking. Toen de Wecar directie dreigde de stakers te ontslaan, riep hij op tot een solidariteitsstaking. De solidariteitsbetuigingen waren groter dan verwacht. Alle overige onderaannemers van Shell demonstreerden tijdens hun lunchpauze en andere vakbonden zoals de Algemene Haven Unie (AHU) en de metaalwerkers (CADMU) betuigden hun steun. Op de avond van 29 mei kwamen de vakbonden bijeen in de Casa Sindical op Pietermaai om te besluiten of er een algemene staking zou worden uitgeroepen. Op die avond waren er al arbeiders die passerende auto’s molesteerden. Politie moest er aan te pas komen om de rust te herstellen op Pietermaai. De volgende dag, 30 mei, zou een solidariteitsstaking worden gehouden. Bij de ingang van het Shell terrein “Post V” verzamelden de stakers zich. Ook de leiders van de Havenarbeiders, Wilson “Papa” Godett en Amador Nita waren aanwezig bij Post V. Het trio Ong A Kwie, Godett en Nita, waren de leiders die de stakende massa van zo’n 4.000, later 5.000 mensen in goede banen moesten leiden, op weg naar het regeringscentrum, Fort Amsterdam. De menigte was echter niet in bedwang te houden. Al bij Post V werd een auto en drums in brand gestoken.
Henderson Supermarket aan de Schottegatweg werd geplunderd, waarbij de stakers met grote hoeveelheden alcohol op weg gingen. “Respect” en “erkenning” was de inzet geworden, het recht op gelijk loon werd slechts de aanleiding. Bij het hooggelegen Parera stond een politiekordon de massa op te wachten. Hier ging het mis. De frontlinie van de politie werd zodanig bekogeld met stenen en flessen dat ze zich terugtrokken in zuidelijke richting, naar de (hellende) Kerkhofweg. De demonstranten staken een achtergelaten politie vrachtauto in brand, waarmee een van hen, Manuel Gutierrez, de auto naar beneden, op de politiemannen inreed en een dodelijk schot kreeg.
Een andere demonstrant, Orlando Gerardina werd, vermoedelijk door een afgeketste politiekogel, dodelijk geraakt. Ook Wilson “Papa” Godett werd geraakt door een politiekogel. Hij werd gewond afgevoerd naar het ziekenhuis, o.a. door Ong A Kwie en Nita, waardoor de woedende menigte zonder leiders voor Punda stond. Een groot aantal winkels in Punda en Otrobanda werd in brand gestoken door een razende menigte. Fort Amsterdam was hermetisch afgesloten en werd beschermd door militairen. 60 panden werden vernield door brand. Ongeveer 100 winkels werden ernstig beschadigd en geplunderd. De totale schade werd op ca. 50 miljoen Antilliaanse gulden geschat.
30 mei 1969 had grote gevolgen. De emancipatie van de Afro-Curaçaoënaar kwam in een stroomversnelling, de roep van Nederland om naar onafhankelijkheid te werken werd luider, Aruba’s Status Aparte kwam dichterbij, minimum loon en arbeidswetgeving werd strak gereguleerd.
meer info:
http://www.nationalarchives.cw/collectie/virtual-expo-30-mei-1969
Of kijk ook even op de Canon van Curacao
May 30, 1969
The refinery, the largest employer in Curaçao in 1969, worked with a number of contractors. Wescar, Werkspoor Caribbean, was one of them. The workers of the contractors were paid less than the Shell workers, for equal labor.
When the Labor Agreement (CAO) of Wescar expired on May 6 and a new agreement had to be negotiated, the Wescar workers demanded “equal pay, for equal work”. The Wescar management however did not or at least insufficiently meet their demands. Ewald A Kwie Ong, president of the union “The Curacao Federation of Workers (CFW), which represented Wescar workers, went on a strike and called for a solidarity strike. He received a large amount of support. All subcontractors of Shell and other unions such as the General Port Union (AHU) and the metal workers (CADMU) expressed their support. On the evening of May 29 the unions met at the Casa Sindical in Pietermaai to decide whether a general strike would be declared. On that night the first signs of unrest were expressed when some passing cars were molested. The next day, May 30, a solidarity strike was announced. At “Post V”, one of Shell’s entrances to the plant, the strikers gathered. The leaders of the Dockers, Wilson “Papa” Godett and Amador Nita were also present at Post V. The trio Ong A Kwie, Godett and Nita had to lead a striking mass of about 4.000, later 5.000 people to the center of government, Fort Amsterdam. At the beginning of the march, a car and some drums were set on fire. Henderson Supermarket at the Schottegatweg was ransacked, leaving the strikers with large amounts of alcohol. “Respect” and “recognition” had become the motive, the right to equal pay the underlying slogan. At Parera a police cordon was set up to halt the masses. It all went amiss here.
The front line of the police was pelted with stones and bottles; so they decided to retreat southwards, towards the Kerkhofweg. The protesters looted an abandoned police truck, set it on fire, which one of them, Manuel Gutierrez, crashed into the police. He got killed by a police shot. Another protester, Orlando Gerardina, was probably fatally hit by a ricochets police bullet. Wilson “Papa” Godett was also hit by a police bullet. He was injured and taken to hospital. When Ong A Kwie and Nita left the scene to take Godett to Hospital, the angry mob was left at the entrance of Punda, without leaders. A large number of shops in Punda and Otrobanda was set on fire. Fort Amsterdam was sealed and protected by soldiers. 60 buildings were destroyed by fire. Around 100 shops were damaged and looted. The total damage was estimated at about 50 million Antillean guilders.
May 30, 1969 had a significant impact. The emancipation of Afro-Curaçaoans gained momentum, the call of the Netherlands to direct the Islands to Independence became louder, Aruba’s call for Status Aparte emerged more prominent, minimum wage and labor was tightly regulated.
More info:
http://www.nationalarchives.cw/collectie/virtual-expo-May 30, 1969
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Foto’s
Koningin Emmabrug
De pontonbrug die Punda met Otrobanda verbindt, werd in 1888 opgeleverd. Daar gingen jaren van discussies aan vooraf. De verbinding tussen de twee stadswijken werd tot die tijd verzorgd door “yola’s”, kleine pontjes zoals de gondels uit Venetië, waarin je overgezet kon worden. In 1868, zo werd gemeten, lieten op een doordeweekse dag ongeveer 4.000 mensen zich op deze wijze vervoeren, over de Annabaai. Gouverneur De Rouville kwam dat jaar met het idee voor een vaste oeververbinding, maar dat stuitte op grote bezwaren. Een vaste verbinding, zo werd geredeneerd, mocht in geen geval de scheepvaart hinderen. Leonard Burlington Smith, de Amerikaanse consul op Curaçao had dit lang overdacht en kwam in 1886 met een uitgewerkt plan voor een drijvende brug. Een pontonbrug die open kon draaien om scheepvaart ongehinderd doorgang te geven en de overtocht tussen Punda en Otrobanda voor voetgangers mogelijk kon maken. Hij richtte zich tot het gouvernement om toestemming te krijgen om deze brug te bouwen en exploiteren. In 1887 leverde hij de tekeningen in, waarvoor hij de uiteindelijke toestemming kreeg. Op 30 april 1888 schreef L.B. Smith aan gouverneur Van den Brandhof dat de werkzaamheden klaar waren om geïnspecteerd te worden en de opening op 8 mei 1888 kon plaatsvinden. Smith vroeg de gouverneur tevens een naam te geven aan de brug. Het werd de “Koningin Emmabrug”. Op 8 mei 1888 konden er voor het eerst mensen tussen Punda en Otrobanda lopen. De brug kreeg de bijnaam “Swinging Old Lady” en is een van de meest bijzondere bezienswaardigheden van Curaçao. De brug van 1888 had houten pontons en lag in het verlengde van de Breedestraat in Punda, naar de Breedestraat van Otrobanda. Later werd de brug 18 m. meer noordwaarts verplaatst.
De exploitatie, en ook het onderhoud van de brug werd tot 1900 ter hand genomen door L.B. Smith. In 1900 was het de Handel- en Industriemaatschappij Curaçao (HIMC) die dat overnam. In 1930 nam de overheid de exploitatie op zich, uitgevoerd door de Dienst Openbare Werken (DOW). In 1966 richtte de DOW de Haven en Loodsdienst op, die ook de Emmabrug onder haar hoede nam. De Haven en Loodsdienst ging in 1982 over in de Curaçao Ports Authority (CPA). Deze is tot heden de exploitant van de brug. De brug is diverse malen gerestaureerd. De meest ingrijpende restauraties vonden plaats in 1939 en in 2005-2006. In 1935 werd de brug gesloten voor auto’s zwaarder dan 2000 kilo. Met de opening van de Julianabrug in 1974 werd de Emmabrug gesloten voor alle auto’s.
Meer informatie:
Nationaal Archief Curaçao
Publicatie:
The Centennial of the Queen Emmabridge (1988) – N.C. Römer-Kenepa
Publicatie:
Come and meet me on the Potoonbridge (2005) – G. Isenia-Francisca
Queen Emma Pontoon bridge
The pontoon bridge that connects Punda and Otrobanda, was completed in 1888, after years of discussions. Till then, the connection between the two city districts was provided by “yola’s”; small ferries like the gondolas of Venice. In 1868, as was documented, about 4,000 people crossed the Annabay daily, in this manner. That year, Governor De Rouville launched the idea of building a bridge to connect Punda and Otrobanda. It was met with fierce opposition. A fixed connection, as was argued, would hinder the passing of shipping. Leonard Burlington Smith, the American consul in Curacao had thought this over and came with a detailed plan in 1886 for a floating bridge. A swinging pontoon bridge would give shipping unhindered passage and would give pedestrians the possibility to cross the Annabay. In 1887 he gained final approval for his plans. On April 30, 1888 L.B. Smith wrote to Governor Van den Brandhof that the work was ready to be inspected. Opening was scheduled for May 8, 1888. He asked the governor to give an appropriate name to the bridge. It was named the “Queen Emma Bridge.” The bridge was nicknamed “Swinging Old Lady” and became one of the most extraordinary landmarks of Curacao. The bridge of 1888 had wooden pontoons and was in many ways an extension of the Breedestraat in Punda, to the Breedestraat in Otrobanda. Later, the bridge was moved 18 m. further north.
Up to 1900, maintenance of the bridge was a responsibility of L.B. Smith. Nowadays Curaçao Ports Authority (CPA) is the maintenance officer. With the opening of the Juliana Bridge in 1974, the Emma Bridge was closed to all vehicles.
More info at:
National Archives Curaçao
Publicatie:
The Centennial of the Queen Emmabridge (1988) – N.C. Römer-Kenepa
Publicatie:
Come and meet me on the Potoonbridge (2005) – G. Isenia-Francisca
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Foto’s
De Interneringskampen in WOII
Interneringskampen in de Tweede Wereldoorlog op de Nederlandse Antillen
Van mei 1940 tot februari 1947 zijn diverse groepen uit Curaçao en Aruba geïnterneerd geweest. Personen die als een ”gevaar voor de rust en veiligheid in het Gebiedsdeel “ waren aangemerkt werden op grond van de wet PB 1940, no. 38, in hechtenis genomen om gedurende de oorlogsperiode of een deel daarvan, geïnterneerd te worden. De interneringen vonden plaats op last van de Procureur Generaal, zonder tussenkomst van een rechter. Vanaf het uitbreken van de oorlog in 1939 werden daartoe voorbereidingen getroffen ingeval Nederland onverhoopt bezet zou worden. Voor de plaats van het interneringskamp werd Bonaire uitgezocht. De lijst met te arresteren personen werd ruim van te voren opgesteld.
Het belangrijkste en grootste kamp, “Playa Pariba”, even ten zuiden van Kralendijk, werd in oktober 1940 opgeleverd.
Er hebben echter meerdere locaties als oorlogsinterneringskamp dienst gedaan. De locaties waren:
- 3 Schoolgebouwen op Bonaire van mei tot en met oktober 1940;
- Het genoemde kamp Playa Pariba op Bonaire sinds oktober 1940 tot en met februari 1947;
- Kamp Guatemala, op de gelijknamige plantage te Bonaire sinds maart 1941 tot mei 1945;
- Het voormalige quarantainegebouw Plantersrust, op Mundo Nobo te Curaçao van november 1941 tot mei 1945;
- Een Shell barak te Suffisant, Curaçao, van november 1941 tot 1943;
- De politiecellen aan het Wilhelminaplein en Rio Canario op Curaçao, respectievelijk van mei tot oktober 1940 en van december 1941 tot januari 1942.
Er zijn 2 groepen geïnterneerd tijdens de oorlog. Allereerst de heterogene groep die aanvankelijk als “gevaar voor rust en veiligheid” werd aangemerkt. Ten tweede was er de groep Joodse vluchtelingen.
De eerste groep die in de dagen na 10 mei 1940 werd opgepakt was samengesteld uit:
- Alle Duitsers en Oostenrijkers die op op 11 mei 1940 op Curaçao en Aruba woonden. Dit betroffen 202 individuen, onder hen bevonden zich ook Duitse Joden;
- Alle Duitse schepelingen die zich op 11 mei 1940 in de havens van Willemstad of Oranjestad aan boord van een Duits schip bevonden. Dit betrof 220 individuen. Ze zijn later naar een Engels kamp op Jamaica vervoerd;
- Een twintigtal als NSB’ers bestempelde Nederlanders. Zij werden allereerst in een speciale politiecel aan het Wilhelminaplein te Curaçao opgesloten voordat ze naar Playa Pariba gingen;
- Een zestal Italianen. Zij werden voor korte tijd geïnterneerd nadat de Nederlandse Regering had verklaard zich in staat van oorlog met Italië te beschouwen. Van 22 december 1941 tot 14 januari 1942 werd deze groep in de politiecellen van Rio Canario geïnterneerd. Daarna werden ze, met beperkingen, vrijgelaten.
De tweede groep, de groep Joodse vluchtelingen die per boot naar Willemstad waren uitgeweken, zijn in twee verschillende schepen aangekomen.
- Het Nederlandse schip m.s. “Crijnssen” bracht in juli 1940 17 Joodse vluchtelingen;
- Het Spaanse schip s.s. “Cabo de Hornos” kon in november 1941 86 Joodse vluchtelingen aan wal zetten. Beide keren konden de vluchtelingen pas na de nodige tegenwerking vanuit Willemstad en na intensief diplomatiek verkeer voet aan wal zetten. De groep die met de m.s. “Crijnssen” aankwam werd vanaf 6 juli 1940 naar kamp Playa Pariba en in maart 1941 naar kamp Guatemala overgebracht. In het laatste kamp gold een minder strikt regime. In augustus 1941 werden ze in beperkte vrijheid gesteld, een jaar later waren ze vrij om te remigreren.
Voor de grote groep van de “Cabo de Hornos” werden op Curaçao aparte interneringskampen ingesteld. De locatie te Suffisant had voorheen als tijdelijke huisvesting gediend voor pas aangekomen Shell-gastarbeiders. Het werd nu ingericht als huisvesting van de mannelijke “Cabo de Hornos” vluchtelingen. Voor de vrouwen en kinderen werd het voormalige quarantainegebouw Plantersrust te Mundo Nobo uitgekozen. De groep van oorspronkelijk 86 “Cabo de Hornos” vluchtelingen is vrij snel verminderd. Een aantal landen had zich bereid verklaard deze Joodse vluchtelingen asiel te verlenen, waaronder de Verenigde Staten, Cuba en Colombia. In december 1941 was hun aantal gedaald tot 76; twee jaar later zaten er nog maar 11 in Plantersrust. Deze laatste groep bleef daar tot het eind van de oorlog. Voor het eind van 1945 zijn er nog eens 6 vertrokken.
Publicatie:
“Wuiven vanaf de Waranda” door Junnes St. Jago, Utrecht, 2007
Foto’s in gallery:
nterneringskamp op Bonaire
Prisoner Camps in World War II in the Netherlands Antilles
From May 1940 to February 1947 several groups from Curacao and Aruba have been interned. Persons who were considered as a “threat to peace and security” were taken into custody during the war period. These custodies were based on the law: PB 1940 no. 38 and took place on the orders of the Attorney General, without the intervention of a judge. From the outbreak of war in 1939, preparations were made for this purpose in case the Netherlands would be occupied. Bonaire was chosen for the site of the prisoner camp. The list of people had been prepared well in advance.
The most important and largest camp, “Playa Pariba”, just North of Bonaire, was completed in October 1940.
However, there were more camps which served as prisoners camps. The locations were:
- 3 School buildings on Bonaire from May to October 1940;
- The camp Playa Pariba on Bonaire since October 1940 to February 1947;
- Camp Guatemala, on the same plantation in Bonaire since March 1941 to May 1945;
- The former quarantine building Plantersrust at Mundo Nobo in Curaçao from November 1941 to May 1945;
- A Shell barrack in Suffisant, Curacao, from November 1941 until 1943;
- The police cells at the Wilhelminaplein and Rio Canario, Curacao, from May to October 1940 and from December 1941 to January 1942.
There are two groups interned during the war. Firstly, the heterogeneous group that was initially identified as a “threat to peace and security.” Secondly, there was the group of Jewish refugees.
The first group consisted of:
- All Germans and Austrians who lived in Curacao and Aruba on May 11, 1940. This affected 202 individuals, among them were also German Jews;
- All German sailors who were in the port of Willemstad, or Oranjestad aboard a German ship on May 11, 1940. This included 220 individuals. They were transported to an English camp in Jamaica later on;
- Twenty individuals labeled as Dutch “NSB-ers” (Dutch political group sympathetic to the Nazi’s). They were first detained in a special police cell at the Wilhelminaplein in Curaçao before they were sent to Playa Pariba;
- Six Italians. They were interned for a short time after the Dutch Government had declared that it considered itself at war with Italy. From December 22, 1941 to January 14, 1942 this group was detained in the police cells at Rio Canario. After January 14, 1942 they were released with limitations.
The second group, the group of Jewish refugees who had fled to Willemstad by boat, arrived in two boats.
- The Dutch ship m.s. “Crijnssen” brought 17 Jewish refugees in July 1940;
- The Spanish ship s.s. “Cabo de Hornos” put 86 Jewish refugees ashore in November 1941. Both ships encountered opposition from Willemstad and only after intense diplomatic negotiations, the refugees were allowed on shore. The M.S. “Crijnssen”- group was transferred to the Playa Pariba camp on July 6, 1940. In March 1941, they were transferred to Camp Guatemala. This camp was subject to a less strict regime. In August 1941 they were given limited freedom, a year later they were free to re-emigrate.
Separate internment camps were instituted in Curacao for the large group of “Cabo de Hornos” refugees. The location Suffisant had previously served as temporary housing for newly arrived Shell immigrants. It was now used for housing the male “Cabo de Hornos” refugees. For the women and children, the former quarantine building Plantersrust to Mundo Nobo was chosen. The number of originally 86 “Cabo de Hornos” refugees quickly reduced. A number of countries had agreed to provide these Jewish refugees asylum, including the United States, Cuba and Colombia. In December 1941 the number had fallen to 76; two years later there were only 11 in Plantersrust. The latter group remained there until the end of the war. Before the end of 1945 another 6 left.
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Foto’s
Het Leprozengesticht op Zaquito
Het Leprozengesticht op Zaquito
Inleiding
Lepra of melaatsheid was in de oudheid al bekend. Een andere naam voor deze aandoening was Lazarusziekte. Zichtbare verschijnselen waren o.a. vlekken op de huid, verdikkingen onder de huid, gezwellen en zweren op het gezicht. Lepra kan leiden tot ernstige misvormingen van onder andere de ledematen en het gezicht. Vanwege de besmettelijkheid van de zieken was afzondering van de betrokkene de eerste maatregel die getroffen werd. Dit gebeurde oorspronkelijk in hun eigen omgeving. Op Curaçao breidde de ziekte zich meer en meer uit gedurende de tweede helft van de 18de eeuw. In 1770 besloot het bestuur van de Kolonie Curaçao om onvermogende lijders af te zonderen in een lazarushuis.
Het Lazarushuis op het Rif
Het eerste leprozentehuis op Curaçao werd gebouwd op het Rif (1781). Hier werden zowel leprozen als krankzinnigen, in gescheiden afdelingen, gezamenlijk gehuisvest. Het reglement voor het Lazarus- en krankzinnigenhuis trad op 1 januari 1831 in werking en schreef voor dat een ieder, hetzij vrij of slaaf, die met lazarusziekte besmet was in dit gesticht moest worden opgenomen. Dit leprahospitaal had aanvankelijk geen personeel dat structureel voor de zieken zorgde. De gouvernementsarts kwam van tijd tot tijd langs. Het enige permanent aanwezige personeelslid in dit Lazarushuis bestond in eerste instantie uit een vaste oppasser die door het Land betaald werd.
Na een bezoek aan het gesticht door Gouverneur van Lansberge, werd op verzoek van de Koloniale Overheid, de verzorging overgedragen aan de congregatie van de Eerwaarde Zusters van Breda. De Gouverneur was van mening dat de behandeling van de patiënten te wensen overliet. In 1856, werden de Zusters van Breda belast met de verpleging van de melaatsen en krankzinnigen. Deze Zusters waren pas op Curaçao en hadden zich bij hun vestiging op Curaçao, beziggehouden met algemene ziekenverpleging. Het leprozenhuis bleef nog op het Rif gevestigd tot de orkaan van het jaar 1877 het gehele huis wegvaagde. Hierbij kwamen drie zusters om het leven. De melaatsen werden hierna tijdelijk ondergebracht in het krankzinnigengesticht ‘Monte Cristo’ aan de Roode weg dat toen al een tijd van de melaatseninrichting was afgescheiden.
Zaquito
In 1880 werd een terrein te Otrabanda gekocht om een nieuwe leprozerie te bouwen. Het gebouw werd in 1882 in gebruik genomen. In februari konden 12 patiënten worden overgebracht naar het nieuwe gesticht, aan hetzelfde binnenwater gelegen als het St. Elisabeth Hospitaal en het krankzinnigengesticht. Het terrein heette Zaquito en die naam is langzamerhand vereenzelvigd met de inrichting voor de melaatsen op Curaçao. De naam Zaquito is afkomstig van de voormalige eigenaar van het land: Isaak Chapman. Deze voornaam Isaak wordt in de omgangstaal afgekort tot “Zaqui” of “Zaquito”.
Het gebouw te Zaquito was oorspronkelijk in de vorm van een vier (4) gebouwd. De Zusters van Breda waren nog steeds verantwoordelijk voor de zorg van de melaatsen. Voor hen waren er slaapcellen, een eetzaal, een keuken- en strijkinrichting en zelfs een kapel. De mannelijke en vrouwelijke lepralijders verbleven er op enkele meters afstand, gescheiden van elkaar. Er waren 2 aparte zalen waar iedere patiënt een bed, een kastje en een stoel had.
Door de geringe afstand tussen de zusters en de lepralijders waren ook de zusters blootgesteld aan besmetting. Zodoende kwamen er uitbreidings- en moderniseringsplannen die eind 1936 werden afgerond. Er kwamen zes nieuwe paviljoens. Een grote vooruitgang voor de patiënten was dat na de uitbreiding elke patiënt een eigen slaapkamer met wc/toilet kreeg. De zusters bleven in het oude gebouw, waar ze op veilige afstand van de patiënten verbleven. In 1945 bereikte Zaquito, met 35 patiënten, het grootste aantal melaatsen. Er waren toen zes verplegende Zusters.
Sluiting Zaquito
Met de ontwikkelingen in de medische wereld liep het aantal verpleegden in 1966 sterk terug. Nieuwe medicijnen op het gebied van Leprabehandeling maakten het mogelijk dat deze ziekte redelijk snel genezen kon worden. Ook de veranderde inzichten m.b.t. besmettelijkheid en afzondering als gevolg daarvan, hadden als resultaat dat opsluiting in een speciaal gesticht niet meer noodzakelijk was.
Met de viering van een heilige mis in het kapelletje van de Zusters, werd de leprozeninrichting te Zaquito op 9 november 1966 officieel gesloten. Hiermee kwam een eind aan een belangrijk hoofdstuk in de Curaçaose geschiedenis.
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Foto’s
1ste Cruise Ship
Het eerste Cruise Schip
De S.S. Prinzessin Victoria Luise
De SS Prinzessin Victoria Luise was een passagiersschip van de Hamburg-Amerika Lijn van zo’n 4.409 bruto register ton (BRT). Dit schip staat bekend als het eerste speciaal gebouwde cruiseschip. Het werd op 29 juni 1900 te water gelaten en deed dienst voor de HAPAG rederij, tot 16 december 1906.
De SS Prinzessin Victoria Luise vertrok op 5 januari 1901 voor haar eerste reis vanuit Hamburg, maakte een stop bij Boulogne en Plymouth, om uiteindelijk op 17 januari in New York aan te komen. Op de 26e vertrok ze vanuit New York naar het Caribisch gebied voor haar eerste cruise. In februari bereikte ze de haven van Curaçao met 200 passagiers aan boord.
Het schip was helemaal wit geschilderd, het had twee masten, een voor en achtermast, en twee lange, slanke trechters midscheeps. Ze had een afgeronde achtersteven en een rijk versierde boog, met boegspriet, eindigend in een boegbeeld van de Duitse prinses.
Het schip bezocht Curaçao daarna nog regelmatig, tot 16 december 1906, toen het per ongeluk aan grond raakte bij Jamaica. Op Curaçao kregen de passagiers een speciaal gedrukt boekje met handige informatie. De aanbevolen attracties voor de bezoekers waren een bezoek aan de Hato Plantage, waar de eigenaresse rondleidingen verzorgde. Ook een jacht uitstapje naar Groot St. Joris werd aanbevolen. Het huren van een voertuig werd voor $ 2 per uur aangeprezen. Een Engels gesproken gids zou $ 5 per dag kosten.
De eerste cruiseschepen op Curaçao werden afgemeerd aan de Kleine Werf in de Annabaai.
meer informatie:
www.gjenvick.com
Publicatie:
Van Soest: Olie als Water
First Cruise Ship
The S.S. Prinzessin Victoria Luise
The S.S. Prinzessin Victoria Luise was a passenger ship of the Hamburg-America Line of some 4,409 gross register tons (GRT). She is credited with having been the first purpose-built cruise ship. Launched on June 29, 1900 she served with HAPAG until December 16, 1906.
The S.S. Prinzessin Victoria Luise left on her maiden voyage on January 5, 1901 from Hamburg, stopping at Boulogne, Plymouth, and finally reaching New York on January 17. She would depart New York on the 26th to the West Indies for her first cruise. In February she reached the harbor of Curaçao with 200 passengers on board.
The ship was painted all white with two masts, one fore and aft, and two tall, slim funnels amidships. She had a rounded stern and a richly decorated clipper bow, with bowsprit, ending in a figurehead of the German princess.
The ship visited Curaçao regularly after that, till December 16, 1906, after being accidentally grounded off Jamaica. On Curaçao the passengers would get a specially printed booklet with handy information. Recommended attractions for the visitors were Hato Plantation, where the owner would give guided tours. A hunting trip to Groot St. Joris was also recommended. Renting a vehicle was set for $2 per hour. An English spoken guide would cost $5 per day.
The first cruise ships on Curaçao moored at the Kleine Werf in the Annabay.
meer informatie:
www.gjenvick.com
Publicatie:
Van Soest, Olie als Water
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Charles Lindbergh op Curacao
Charles Lindbergh op Curacao
Op 28 september 1929 landde Charles Lindbergh met een tweemotorig Sikorsky watervliegtuig op het eiland Curaçao. De landing was in het oostelijk deel van het Schottegat ter hoogte van het “Scadta-eiland”. Het Curacaose familiebedrijf bedrijf S.E.L. Maduro & Sons had toen het agentschap van de Pan American Airways verworven en wilde dit promoten met deze vlucht. Hun directeur van de New York vestiging van Maduro & Sons, S.E.L. Maduro (Momon Lau), had deze vlucht als onderdeel van een publiciteitscampagne geregeld. Charles Lindbergh werd wereldberoemd door zijn overtocht van New York naar Parijs, de eerste transatlantische vlucht in mei 1927. Lindbergh werd verwelkomd door gouverneur Brantjes en S.A.L. (“Mongui”) Maduro.
Meer info op:
www.madurolibrary.org/
Publicatie:
De Momon Cyclus – Scriwanek
Lindbergh
On September 28, 1929 Charles Lindbergh landed a twin-engine Sikorsky on the island of Curacao at the “Scadta-Island” (Eastern part of the Schottegat). S.E.L. Maduro & Sons had just recently acquired the agency of Pan American Airways and wanted to promote it with this flight. Their New York director, S.E.L. Maduro (Momon Lau) had arranged this flight as part of a publicity campaign. Charles Lindbergh became world famous for his crossing from New York to Paris, the first transatlantic flight in May 1927. Lindbergh was welcomed by Governor Brantjes and S.A.L. (“Mongui”) Maduro.
More info at:
www.madurolibrary.org/
Publication:
De Momon Cyclus – Scriwanek
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Foto’s
1ste vliegtuig op Curacao
De eerste vliegtuigen die op Curaçao landden waren twee Amerikaanse watervliegtuigen die in 1923 in het “Schottegat”, de natuurlijke haven van Curaçao, landden. In 1925 had de Duitse firma, Sociedad Colombo-Alemana Transportes Aereos (SCADTA), gevestigd in Barranquilla, Colombia, een vergunning aangevraagd om boeien te mogen plaatsen in het zuidoostelijk deel van het “Schottegat” (ter hoogte van de latere Amstel Brouwerij). De lokale agent van SCADTA, Edwards, Henriquez & Co had de aanvraag bij het lokale bestuur ingediend en gekregen. De boeien dienden als bakens en ligplaatsen voor watervliegtuigen. SCADTA kocht twee eilanden om daarop luchthaven faciliteiten te bouwen. Dammen verbonden de eilanden met de kust.
Na de bouw van een 700 meter landingsbaan op Hato in 1928, stopte SCADTA haar activiteiten.
De Hato landingsbaan werd slechts één keer gebruikt in 1932 en niet een keer in 1933. KLM begon haar vluchten naar Curaçao met de “Snip” in 1934. Een demonstratie vlucht van de Nederlander G.W. Schrijns, tussen Aruba en Curaçao eindigde in de spoorloze verdwijning van de inzittenden en de vliegtuig op oktober 17, 1931.
Meer info:
http://www.norberthendrikse.nl/eerste.pdf
http://scadta.co/aircraft-list/
Publicatie:
Olie als Water – J. van Soest
First Airplane
In 1923, two American seaplanes landed in “Schottegat”, the natural harbor of Curaçao. They are known as the first aircrafts that landed in Curaçao. In 1925, the Sociedad Colombo-Alemana Transportes Aereos (SCADTA) from Barranquilla, Colombia, asked for permits through its local agent Edwards, Henriquez & Co. to be allowed to lay buoys in the southeastern part of the “Schottegat” (later the site of Amstel Brewery). These were to serve as beacons and mooring sites for seaplanes. SCADTA bought two islands to build airport facilities. Dams connected the islands to the coast.
After the construction of a 700 meter airstrip at the Hato Plantation in 1928, SCADTA stopped its activities.
The Hato airstrip was used only once in 1932 and not once in 1933. KLM started its flights to Curaçao with the “Snip” in 1934. A demonstration flight of Duchman G.W. Schrijns between Aruba and Curaçao ended in a loss of occupants and aircraft on October, 17, 1931.
More info:
http://www.norberthendrikse.nl/eerste.pdf
http://scadta.co/aircraft-list/
Publication:
Olie als Water – J. van Soest
1ste Carnavalsoptocht
De eerste Carnavalsoptocht
De eerste vermelding van de carnavalsviering stamt uit het “Publicatieblad 1872 nr. 27”. Deze verordening opende de mogelijkheid om carnavalsoptochten te organiseren en deze te reguleren op openbare plaatsen.
“De Curaçaosche Courant” van 22 februari, 1901 geeft aan dat, “volgens de Latijns-Amerikaanse gewoonten” carnaval werd gevierd op het eiland. Deze viering was een initiatief van een aantal Venezolaanse burgers die hier tijdelijk woonden. De festiviteiten vonden overdekt plaats in een privé-elite club, volgens “De Curaçaosche Courant” in 1901.
Uit mondelinge overlevering blijkt dat “The Jolly Fellows Society” werd beschouwd als de drijvende kracht achter de ontwikkeling van het vieren van carnaval op straat. De eerste buiten-optocht vond plaats in 1947.
In 1949 werd de stichting “Stichtingscommissie Carnavalsfeesten” opgericht om carnaval te vieren met een gekozen “Prins Carnaval”. De bedoeling was om de gehele bevolking bij de viering te betrekken. Foto’s tonen echter aan dat de lokale participatie nog maar mager was. De viering bleef elitair en de interesse vervaagde in de jaren vijftig.
Benjamin Wefer en Elias Bronswinkel wilden de belangstelling in 1961 opnieuw aanwakkeren door de oprichting van het Centraal Comité Carnaval Curaçao.
In 1971 kreeg Carnaval weer meer populariteit. Het Comité Carnaval Curacao (Komite Karnaval Kòrsou) is opgericht in dat jaar onder leiding van Omalio Merien en de festiviteiten belandden in een nieuwe tijdperk. Het Comité was gericht op deelname van elke nationaliteit en gremio van Curacao. De slogan van de Carnavalsviering van 1971 was “KARNAVAL PA UN I TUR I PA UNI TUR.” (“Carnaval voor iedereen en voor het verenigen van allen”). Dat jaar werd de Tumba geïntroduceerd als Roadmarch. Eenvoudige optochten werden geïntroduceerd in de straten van Curacao. De route begon in Otrobanda en ging vervolgens over de Emmabrug in de richting van Mari Pampoen.
De organiserende commissie werd voorgezeten door illustere namen als Omalio Merien, Felio Colinet, Frank Rosina en Boy Winklaar. In 1981 werd het Jeugd Carnaval geïntroduceerd. In de jaren negentig werd de Fundashon Karnaval Kòrsou (FKK) opgericht. In deze jaren veranderde de route. Omdat de Emmabrug te kwetsbaar werd beschouwd voor de grote paradebussen, werd de route gewijzigd, zodanig dat deze begon in Santa Maria en eindigde in Otrobanda.
In 1995 werd de Teener Parades toegevoegd aan de festiviteiten.
Meer info:
Nationaal Archief Curacao of kijk op de Canon van Curacao
First Carnival Parade
Firts mention is the “Publicatieblad 1872 nr. 27” This Ordinance opened the possibility to organize and regulate carnival parades in public places.
In 1901 “De Curaçaosche Courant” (Februari, 22) indicates that, “according to Spanish American habits” Carnival was celebrated on the Island. This celebration was an initiative of several Venezuelan citizens who lived here temporarily. The festivities took place in a private elite club, according to “De Curaçaosche Courant” in 1901.
Oral History Sources indicate that “The Jolly Fellows Society” was considered the driving force behind the development of celebrating carnival on the streets for the first time in 1947.
In 1949 a foundation “Stichtingscommissie Carnavalsfeesten” was created to celebrate Carnival with an elected “Prince Carnival”. The intention was to involve the entire population at the celebration. Photo’s show the local participation was meager though. The celebration remained elitist and interest slowed down in the fifties.
Benjamin Wefer and Elias Bronswinkel wanted to generate interest again in 1961 by the establishment of the Central Carnival Committee Curaçao.
In 1971 Carnival gained more popularity again. The Committee Carnival Curacao (Komité Karnaval Kòrsou) was founded that year under the guidance of Omalio Merien and the festivities entered a new era. The Committee aimed at participation of every nationality and gremio of Curacao. The slogan of the 1971 Carnival was “KARNAVAL PA UN I TUR I PA UNI TUR.” (“Carnival for one and all and uniting one and all”). That year the Tumba was introduced as roadmarch. Simple marches were introduced in the streets, starting in Otrobanda over the Emmabridge directed to Mari Pampoen.
The organizing committee was presided by illustrious names like Omalio Merien, Felio Colinet, Frank Rosina i Boy Winklaar. In 1981 the Youth Carnival was introduced. In the nineties the Fundashon Karnaval Kòrsou (FKK) was founded. In these years the march changed its route. Because the Emmabridge was considered to fragile for the big paradebusses the route began at Santa Maria and ended in Otrobanda.
In 1995 Teen Parades were added to the festivities.
More info:
National Archives Curacao or Canon Curacao
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Foto’s
1ste gedrukte krant op Curacao
Het eerste gedrukte nieuwsblad op Curaçao verscheen op 11 december 1812 onder de naam “The Curaçao Gazette and Commercial Advertizer” (zie foto in gallery. De ware afmetingen waren 21 x 34 cm). Uitgever was William Lee, die de titel “Printer to the King’s most excellent Majesty” droeg. Het blad was oorspronkelijk in het Engels uitgegeven met enkele stukken in het Nederlands. Sinds maart 1816 verscheen het blad onder de naam “De Curaçaosche Courant”. William Lee was drukker in Caracas, Venezuela in 1812. Op 26 maart van dat jaar werd Venezuela’s hoofdstad getroffen door een zware aardbeving, waarbij naar schatting 12.000 mensen omkwamen.
Het is waarschijnlijk dat William Lee naar aanleiding van deze ramp Venezuela had verlaten. Tevens is het mogelijk dat de nederlaag van de “Independientes” in Caracas, in 1812, er voor hebben gezorgd dat Lee naar Curaçao is vertrokken. In 1812 stond Curaçao onder Engels gezag, en het was voor Lee een veilig heenkomen. Na Lee’s dood in 1823 nam zijn weduwe de leiding van de drukkerij op zich. De drukkerij ging over naar diverse eigenaren, zoals de families Neuman en Gorsira. Tegenwoordig is de drukkerij eigendom van P. Elisabeth.
Zie ook de Canon van Curacao
Publicatie:
J. Hartog: Journalistiek leven in Curaçao. 1944.
The first printed newspaper in Curacao was published on December 11, 1812 under the name “The Curaçao Gazette and Commercial Advertizer” (see picture in adjacent gallery). Publisher was William Lee, who bore the title of “Printer to the King’s most excellent Majesty.” The paper was originally published in English with a few pieces in Dutch. Since March 1816 the magazine was published under the name “The Curaçaosche Courant.” William Lee had his printing office in Caracas, Venezuela in 1812. On March 26th of that year, Venezuela’s capital was hit by a severe earthquake, with an estimated 12,000 casualties. It is likely that William Lee in response to this disaster had left Venezuela. It is also possible that the defeat of the “Independientes” in Caracas, in 1812, forced Lee to emigrate to Curaçao. In 1812 Curaçao was under English control, and it was a safe haven for Lee. After Lee’s death in 1823, his widow took charge of the printing office. The office changed ownership various times. Nowadays, the printing company is owned by P. Elisabeth.
More info at Canon Curacao
Publication:
J. Hartog: Journalistiek leven in Curaçao. 1944.
Deze tekst mag alleen worden overgenomen met vermelding van de bron: Nationaal Archief Curaçao.
Foto’s
Digital Library CBC
Voor historische statistische onderzoeksgegevens, bezoek de website van het CBS Digital Library CBS.
Flow-Sponsor Educatieprojecten Nationaal Archief
Sinds 2012 is Flow Curacao – Columbus Communications- sponsor van het Nationaal Archief. Educatieve projecten die via onze online fiber optic verbinding gaan zijn mogenlijk gemaakt dankzij de ondersteuning van Flow Curacao