Education
Staatkundige Geschiedenis 3 Periode 1970-1986
Van de Opstand van 30 mei 1969 tot de Status Aparte van Aruba
-
Onafhankelijkheid: versneld of aangepast
Politiek is het tijdvak 1955-1969 gekenmerkt door problemen bij het toepassen van het Statuut en de gebeurtenissen rond 30 mei 1969.
In de jaren 1955-1960 werden de eerste ervaringen met de nieuwe rechtsorde opgedaan. In de Nederlandse Antillen dwongen twee politieke aangelegenheden tot een verduidelijking van de inhoud van het Statuut. Deze twee aangelegenheden staan in de Antilliaanse politieke geschiedenis bekend als de kwestie van der Meer (1956) en de kwestie De Wit (1957-1959). Het resultaat van beide kwesties was dat duidelijk gesteld werd dat de gouverneur als landsorgaan geen bevoegdheid meer had.
In deze periode werd ook voor het eerst door de Koninkrijksregering een Algemene Maatregel van Rijksbestuur totstandgebracht. Het hield in dat het bestuurscollege van Curaçao van zijn bevoegdheden vervallen werd verklaard, “wegens grovelijke verwaarlozing van de huishouding van het Eilandgebied” De bevoegdheden van het bestuurscollege werden overgedragen aan gezaghebber Gorsira.
De periode vanaf de beëindiging van de onder curatele stelling van Curaçao tot aan 30 mei 1969 liet een betrekkelijke rust zien in de verhoudingen die op het Statuut gebaseerd waren. De revolte van 30 mei 1969 op Curaçao zou een ommekeer teweegbrengen in het Nederlandse beleid in de Koninkrijksrelaties. Nederland ging meer nadruk leggen op een versnelde onafhankelijkheid van de gebieden in de West.
Op sociaal-economisch gebied ontwikkelden de verhoudingen zich steeds meer in de richting van sterkere afhankelijkheid van Nederlandse hulp en daarmee ook van een groeiende Nederlandse betrokkenheid met het lokaal gevoerde beleid. Gevolg van de economische achteruitgang in de Nederlandse Antillen gepaard gaande met toenemende werkloosheid.
Vrijwel alle foto’s zijn uit de collectie Fischer, tenzij anders aangegeven.
-
Aruba Status Aparte
Carlos Andrés Pérez
3 MEP ministers gingen in December 1975, buiten het kabinet om, op bezoek bij de Venezolaanse president Carlos Andres Perez om hem te spreken over de bescherming van een mogelijk onafhankelijk Aruba. Op 29 december 1975 aanvaardde de Staten een motie van wantrouwen, die vervolgens door de gouverneur werden ontslagen.
Boy Rozendal
Na de verkiezingen van zomer 1977 werd DP-er S.G.M (Boy) Rozendal aangewezen als formateur. Gezien de eisen van Betico Croes voor wat betreft een aparte status voor Aruba, koos Rozendal om MEP niet in zijn kabinet op te nemen. Het uitsluiten van MEP heeft tot hevige protesten geleid.
-
Sociaal Economische Situatie
In de maanden na “mei 69” werden moties in de Staten aangenomen waarin gevraagd werd om minimumlonen en maximumprijzen in te stellen. Daarnaast werd het ambtenarenapparaat in de jaren zeventig sterk uitgebreid. Vakbonden speelden een grote rol, vaak onder verwijzing naar “mei 69” als intimiderend pressiemiddel bij onderhandelingen. Loonsverhogingen, verbeterde sociale voorzieningen, arbeids- en sociale wetgeving werden met voorrang uitgevoerd. Een nieuwe protectionistische politiek van import vervangende industrialisatie werd geïntroduceerd, waarbij binnenlands geproduceerde goederen tegen hun buitenlandse concurrenten werden beschermd met hoge tariefmuren of importverboden. Het marktbeschermingsbeleid is gebaseerd op de Landsverordening In- en Uitvoer uit 1969, PB 1969, no. 42.
In de loop van de jaren tachtig kreeg de economie een aantal schokken te verwerken.
– De dollar steeg in waarde waardoor automatisch ook de Antilliaanse gulden 24% werd opgewaardeerd. Dit betekende dat op Curaçao geproduceerde goederen en diensten veel duurder werden voor het buitenland. Curaçao werd een duurte-eiland.
– De bolívar devalueerde waardoor ons eiland ook voor Venezolaanse toeristen te duur werd.
– Tot overmaat van ramp kondigde Shell, jarenlang de motor en aanjager van Curaçaos economie, haar vertrek aan. In 1985 zou de olie-maatschappij daadwerkelijk haar activiteiten op ons eiland staken. Het vertrek van Shell betekende een verlies van NAf 42 miljoen aan belastinginkomsten. Het eilandgebied Curaçao werd voor één gulden de nieuwe eigenaar van de raffinaderij, welke zij voor 20 jaar verhuurde aan de Venezolaanse olieproducent PdVSA.
– Het dok en de haven verkeerde, zeker na 1982, in een crisis. Mechanisering en automatisering in vele sectoren, plaatsten (dure) arbeidsplaatsen op de tocht.
– De Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij (ALM) werd in toenemende mate in dienst van de Curaçaose arbeidsmarkt gebruikt. Structurele liquiditeitsproblemen waren het gevolg.
– Door wijziging in de belastingwetgeving van de V.S. in 1984, kwamen inkomsten uit de offshore sector onder druk te staan.